“Ik zie hier nooit iemand,” klaagde een man die nogal achteraf woonde,
die altijd binnen zat en praktisch nooit de deur uit kwam
en als hij eens boodschappen ging doen dan praatte hij met niemand.
Maar een ontmoeting tussen mensen moet altijd van twee kanten komen.
Als je openstaat voor anderen, als je belangstelling hebt voor hun wel en wee,
als je geïnteresseerd bent in wat ze doen, of in wat hun is overkomen,
dan is een ontmoeting meer dan elkaar tegen komen
dan is daar ook iets van een onderling contact van hart tot hart.
Dan weten mensen jou ook te vinden ook al woon je achteraf.
Maar als je niet echt contact kunt maken met anderen,
dan blijf je alleen ook al woon en leef je tussen een massa mensen.
“Ik merk nooit iets van God,” zei een druk bezette zakenman.
“Wat heb je aan een God die zich nooit laat zien?”
Maar juist als bij menselijke ontmoetingen geldt ook hier:
een ontmoeting met God moet altijd van twee kanten komen.
Een gelovige mens is per definitie iemand die op zoek is naar God
en zoeken gaat altijd gepaard met een stuk onzekerheid.
Je hebt wel mensen die precies weten waar God is en hoe Hij is,
die op elke vraag wel een antwoord hebben.
Maar of die allesweters ook echt gelovige mensen zijn,
daar kun je wel een paar vraagtekens bij stellen.
Gelovig zijn is zoeken naar momenten, plaatsen, situaties,
waarin je iets kunt ontmoeten van die onzichtbare God.
Maar je kunt het ook andersom zeggen:
God is steeds op zoek naar gelovige mensen,
naar mensen die zich door hem laten vinden, laten raken.
Die druk bezette zakenman zei ook:
ik heb trouwens geen tijd om me met zoiets vaags bezig te houden.
Dat betekent in feite dat hij zich niet laat vinden door God.
Je hebt mensen die grote fietstochten maken. Ze jakkeren zichzelf af
om zo snel mogelijk zoveel mogelijk kilometers te maken.
Ze hangen met hun neus op het stuur en zien niets van de omgeving
waar ze doorheen fietsen, niets van de bloemen die overal staan,
niets van de statige eiken en beuken, niets van dat leuke beekje.
En als je vraagt: Hoe was het vandaag? dan is hun antwoord:
Prima, ik heb meer dan 200 km gefietst.
Dan heb je natuurlijk heel veel gezien vandaag?
Veel gezien, eigenlijk niet, daar had ik geen tijd voor.
Zo vergaat het ook vaak mensen als het om God gaat.
In de natuur kun je God ontmoeten, of beter iets van God ontmoeten,
maar alleen als je oog hebt voor het mooie van al wat groeit en bloeit.
In mensen kun je God ontmoeten, iets van God,
maar alleen als je oog hebt voor het goede in hun leven.
Bereid de weg voor de Heer, hoorden we in beide lezingen.
De Heer zoekt je op, Hij komt naar je toe maar zorg wel dat hij ook kan komen,
dat de weg naar je hart niet versperd is door allerlei obstakels,
dat die weg begaanbaar is en niet te hobbelig,
want anders kan hij jou niet bereiken.
Toen Jesaja deze tekst uitsprak, dacht hij ongetwijfeld
aan de koningen in zijn tijd. Als die ergens naartoe gingen,
dan moest er eerst een weg gebaand worden door de woestijn
opdat de koning en zijn hofhouding comfortabel konden reizen.
Dan stuurde ze een heel bataljon mensen vooruit,
wegbereiders om zijn komst voor te bereiden.
Jesaja gebruikt dit beeld om te beschrijven dat God terugkomt naar zijn volk.
In de tijd van de Babylonische ballingschap, toen de tempel verwoest was,
en het grootste deel van de bevolking was weggevoerd,
hadden de overgebleven joden in Juda het gevoel
dat God helemaal weg was en hun aan hun lot had overgelaten.
Jesaja spreekt hen moed in: Jullie God komt weer terug,
Hij zal zich weer aan jullie laten zien, als jullie tenminste
de weg naar jullie hart weer begaanbaar maken voor hem.
En Jesaja zag zichzelf en de andere profeten als de wegbereiders,
om de komst van God voor te bereiden.
In het evangelie wordt ook Johannes de Doper getekend als een wegbereider,
iemand die oproept tot bekering en zo allerlei obstakels opruimt
opdat de Heer kan komen in de harten van de mensen.
Hij verwijst naar degene die na hem komt, naar de beloofde messias,
naar Jezus, kind van Betlehem, profeet uit Nazaret.
In Hem komt God nabij, in Hem is God te ontmoeten
voor ieder die zich ook echt openstelt voor Hem.
God zoekt ons, maar als we hem niet ontmoeten,
dan is de vraag: hebben we de deur wel openstaan voor Hem,
hebben we de weg bereid zodat Hij ons ook vinden kan.
2e zondag van de advent (2002)
B-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars