Het eerste dat wij in dit nieuwe kerkelijke jaar uit de mond van Jezus horen, is: Kijk uit, wees waakzaam. ‘Kijk uit’ mogen we letterlijk nemen: sta op de uitkijk, kijk uit naar wie er komt, want we weten niet wanneer de Heer komt. In de Romeinse tijd waren er vier nachtwakes: ’s avonds laat, midden in de nacht, bij het kraaien van de haan en bij het eerste ochtendlicht. Vandaar ook het lied: Hoever is de nacht: hoe lang nog voor de dag aanbreekt. Het idee is dat wij in onze duisternis vol verlangen uitzien naar het licht van de dag. Dit vraagt van ons een houding van trouw, van alert uitzien, vol hoop en vastberaden, want een christen is op elk moment klaar voor de wederkomst van de Heer.
Jezus zegt er wel bij dat we niet weten wanneer dat moment aanbreekt. Het Griekse woord voor dat uur, dat moment is kairos. Ieder moment waarop er iets gebeurt dat de gewone gang van zaken even onderbreekt, dus ook een crisis, kan kairos blijken te zijn, kan kairos worden.
Datzelfde besef speelt een rol in de tekst van Jesaja. Als we Jesaja grofweg in drieën verdelen: vóór, tijdens en na de ballingschap, zitten we nu met de hoofdstukken 63 en 64 in het derde en laatste gedeelte. Enerzijds is er vreugde om het einde van de ballingschap, tijd van herstel, anderzijds ook teleurstelling dat het herstel niet zo snel en goed gaat als ze wel zouden willen. Misschien wel herkenbaar voor ons: we willen wel geloven dat God ons helpt, maar we zien er nog maar zo weinig van. Het is makkelijker dat God aan het einde van de tijden zal komen dan nu in mijn leven.
In onze eerste lezing treffen we een heel aantal voor ons bekende elementen aan. Zo wordt God tot twee keer toe ‘onze vader’ genoemd (in het hele stuk zelfs drie keer). Het is een soort smeekpsalm: God danken voor hulp in het verleden dat al begint met God die ons heeft geschapen, geboetseerd uit de klei, en daaruit hoop en vertrouwen willen putten en hulp vragen voor het nu met zijn eigen problemen. Ook de erkenning van eigen fouten: dat het kwaad ook in ons zit, deel van onszelf uitmaakt. Kom toch, daal toch af naar onze wereld, scheur toch de wolken weg.
Wij zijn Gods mensen, soms of vaak in duisternis, maar we blijven Gods lieve mensen. God blijft ‘onze Vader’. We mogen vertrouwen dat we er niet alleen voor staan: dat God de wolken wegscheurt, door de blinde muren breekt die wij vaak opwerpen. Vanuit die houding zijn we alert op het licht, genade die doorbreekt in onze duistere wereld.
Een zelfde vertrouwen spreekt Paulus uit over de christenen van Korinte. Hij begint zijn brief zoals dat toen hoorde, met een christelijke groet, maar daarmee ook de boodschap dat hun de genade van Christus is gegeven. Alles hebben ze van God ontvangen in Christus. Paulus spreekt het vertrouwen uit dat zij vol verwachting stand zullen houden tot de dag van Jezus Christus. Die dag van Jezus Christus is een dag in de traditie van de profeten, van de Dag des Heren, van herstel van gerechtigheid, een dag die het einde van de tijden inluidt, en bij Paulus betekent dit nu de dag van de wederkomst van Christus, waarvan hij verwacht dat die spoedig komt, ook al geldt ook voor hem wat Jezus zei: “We kennen dag noch uur, de engelen niet, de Zoon niet, alleen de Vader.” (Marcus 13, 32) Dat zegt Jezus overigens precies vóór onze evangelielezing, en dat is vlak voor hij gevangengenomen wordt, voor zijn lijden en dood, en zijn opstanding, dus bij uitstek hét moment van een grote crisis die tot kairos wordt. Daarom is waakzaamheid geboden.
Als christenen bidden en leven we naar Gods koninkrijk toe. Het draait in de Advent en met Kerstmis om de komst van de Heer. We spreken wel van een drievoudige komst: eens als kind in Betlehem, eens aan het einde van de tijden, en voortdurend, ook hier en nu in ons leven, in onze wereld. We zien uit naar de komst van de Heer, we weten dat hij komt, we weten alleen niet wanneer. Dus moeten we alert en open zijn voor dit kairos, het moment van de kans op verandering, waakzaam zijn, niet uit angst om wat er eventueel kan gebeuren (zoals kort geleden in een actualiteitenprogramma mensen die zich in het leven ingraven met allerlei maatregelen omdat ze geloven dat in 2012 de wereld vergaat) maar vol hoop en verwachting uitzien naar de komst van de Heer, hier en nu. Daarvoor hebben wij mensen nodig die ons gevoelig maken voor de tekenen van de tijd, mensen als Jesaja, Paulus en Jezus.
Vandaag horen we: wees waakzaam. De komende weken zullen we Johannes de Doper horen met zijn oproep dat inkeer en ommekeer nodig zijn. Gevraagd wordt dat we ons afkeren van duisternis, egoïsme, verspilling en vernietiging, en ons richten op het licht, op een wereld naar Gods hart, vol gerechtigheid en vrede.
Het is niet het schattige lieve kerstkindje waar we naar uitkijken, maar naar de komst van de Messias, hij die Gods koninkrijk van vrede en gerechtigheid laat doorbreken in onze wereld. Het kind van Betlehem is daar het teken van, zullen de engelen zingen, niet meer en niet minder dan het teken dat het licht van Gods koninkrijk onze wereld inkomt. Dus moeten wij waakzaam zijn als de herders, waakzaam voor de tekens van de hoop op een nieuwe wereld in onze tijd. Elke crisis - de financiële en kredietcrisis, of de klimaatverandering op wereldniveau, of een ziekte of een ruzie op persoonlijk terrein, of ontwikkelingen in kerk en wereld die ons zorgen baren - elke crisis kan een omslagpunt worden, een kairos, een nieuwe kans: een ontmoeting die mijn leven verandert, een nieuw inzicht oplevert of een andere houding, een keer ten goede, omdat ik word wakker geschud en waakzaam ben.
Liever dat wij aan het eind van ons leven moeten constateren dat het koninkrijk van God nog niet (volledig) is gekomen, maar dat wij er wel ons steentje aan hebben bijgedragen en zo een goed en vreugdevol leven hebben geleid, dan dat we ons leven lang in angst hebben gezeten over wat er allemaal zou kunnen gebeuren maar nooit heeft plaatsgehad, of dat we terugkijkend op ons eigen leven moeten treuren over alle kansen op een beter leven voor onszelf en anderen die we ongemerkt voorbij hebben laten gaan. Daarom zegt Jezus: “En ik zeg het tegen iedereen: wees waakzaam”, open naar de toekomst, naar de Heer die komt.
Bidden om de komst van Gods koninkrijk - zoals we in het Onze Vader doen - betekent ook dat wij ons hiervoor actief inzetten. De oproep van Jezus om waakzaam te zijn, is niet om vervelende verrassingen te voorkomen, maar een teken dat wij beseffen: het hangt ook van mij af, wanneer dat koninkrijk komt!