Engelen (2008)

B-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

In deze advent willen we als parochie aandacht besteden aan Schriftverhalen waarin engelen een rol spelen. Een van die verhalen is de geschiedenis van Jacob.
Jacob zit in een crisis. Hij heeft zijn tweelingbroer bedrogen. Hij heeft hem zijn eerstgeboorterecht en zijn zegen ontstolen en daarna is hij op de vlucht geslagen. Want zijn broer Ezau zwoer dat hij zich op hem zou wreken. Zo is de zon ondergegaan en is het nacht geworden in zijn leven. Als hij dan in schreeuwende eenzaamheid in slaap valt, krijgt een droom:
een ladder komt uit de hemel, bij God vandaan dus,
en engelen klimmen omlaag en omhoog als boodschappers van de Eeuwige. Het verdriet,
de schaamte, de schuld en de angst van Jacob nemen ze mee naar boven en een goddelijke vertroosting brengen ze mee terug. Vanaf dat moment is hij niet meer alleen. God is met hem met zijn belofte en zijn zegen. Verbaasd wordt hij wakker met het gevoel: mijn leven gaat verder, God is bij mij, Hij zal mij behoeden en bewaren waar ik ook ga.
Hij is gescheiden van zijn broer, maar niet zonder hoop. Je kunt elkaar soms jaren niet zien, maar dat betekent niet dat je van elkaar los bent geraakt. Ex-broers en ex-zussen bestaan gewoon niet, toen niet, nu niet. Eens zal Jacob terugkeren naar zijn land en zijn vaderhuis om zijn broer weer onder ogen te komen. En dan zal alles weer goed zijn.
Hoe vaak zie je niet dat in een familie de bittere vetes, de ruzie, de gescheidenheid en al die ellende wordt doorgegeven naar de volgende generatie. Of iemand moet opstaan, het gevecht ermee aangaan en met Gods hulp en met engelengeduld werken aan verzoening. Jacob zal dat doen. Na twintig jaar ballingschap en een heleboel levenservaringen rijker, keert hij terug op hoop van zegen. Engelen hadden hem ooit uitgeleide gedaan. En ook nu staan engelen als goddelijke grenswachters hem op te wachten. Hij staat aan de oever van de rivier, die hem van zijn broer scheidt. Die rivier heet Jabbok, dat is Jacob dus, maar dan anders, omgekeerd, bekeerd. Want hij moet eerst nog ergens doorheen, door het water, een soort doop eigenlijk. Hij moet ondergaan en bovenkomen.
Hij is bang en op het ergste voorbereid. Vluchten kan niet meer. Er is gewoon geen weg terug.
Hij slaapt slecht, u kent dat. En midden in die donkere nacht brengt hij zijn vrouw en kinderen en zijn bezit naar de overkant van de stroom. Zelf blijft hij achter, om Gods nabijheid te zoeken en tot zichzelf te komen.
Plotseling doemt er dan op de oever die onbekende op, die met hem begint te vechten en dat duurt tot in de vroege morgen.
Wie is die droomgestalte? De engel van het leven? Is het zijn broer Ezau? Of is dit een tweestrijd met zijn eigen zielenvogel, met zichzelf dus? Of is het een gevecht met de Eeuwige? Och, God is zélf de dans van het leven. Wie vecht met God, vecht met het leven zelf. Hoe het ook zij: het is een hele worsteling vóór een mens tot verzoening komt. En het grootste gevecht is nog altijd dat met het eigen ego: het erkennen van het onrecht, het buigen, het zetten van de eerste stap, het terugkeren. Maar Jacob overwon, staat er. En hij vraagt om een zegen. Hij steelt hem niet deze keer. Hij wil hem nu ontvangen, uit genade. En dan vraagt de man naar zijn naam. Ik ben Jacob, biecht hij op, de bedrieger. En hij wordt gedoopt met een nieuwe naam, een nieuwe identiteit: Israël gaat hij heten, dat wordt zijn doopnaam. Want hij heeft moedig strijd geleverd.
En zo gaat na een lange nacht de zon weer op over zijn leven en in stralend licht betreedt hij zijn nieuwe bestaan. Ik heb God gezien, zegt hij, mijn leven is gered. Hij loopt wel een beetje mank, want hij is geraakt op de plek van zijn potentie, zijn kracht, zijn toekomst. Een kras op zijn ziel, een souvenir van zijn engel. Niemand komt ongehavend uit zo’n strijd. Bij iedere stap in het nieuwe land zal hij zich er pijnlijk van bewust zijn dat hij op eigen kracht de zegen niet kan doorgeven. Maar hij mag zich koesteren in de zon van Gods genade.
Hij ontloopt zijn broer niet langer. Nog diezelfde nieuwe morgen steekt hij de rivier over. Zelf ging hij voor hen uit, staat er, en hij boog, hij boog zevenmaal tot op de grond tot hij bij zijn broer kwam. En dan rent Ezau op hem af, valt hem in de armen en ze kussen elkaar. En ze moeten huilen. Al het oude verdriet komt er uit. Alle negatieve familiekarma is opgelost. In die omhelzing opent zich een toekomst, waarin de liefde van de Eeuwige hen weer aan elkaar teruggeeft. Het is weer goed. Jacob kan in alle rust wonen in het land van zijn vaderen.
Ooit had hij zichzelf met list en bedrog een groot ego aangemeten. Zijn geldingsdrang kostte hem twintig jaar slecht geweten, voortdurend vluchten voor zijn broer en voor zichzelf. Maar de ontmoeting met de Eeuwige en het gevecht met zijn engel heeft hem sterk gemaakt. Hij is opnieuw geboren, draagt een nieuwe naam en is thuis gekomen. Want thuis kom je als je niet meer hoeft vluchten, je niet hoeft te verschuilen - Mens, waar ben je? - ; als je onbevreesd je naam kunt noemen, omdat je weet wie je bent: vrij en verzoend met wie je in onmin leefde. Dit is een visioen dat honderdvoudig in de bijbel staat opgetekend in verhalen en liederen. Wat wij onze beschaving
noemen, is uit dat visioen geboren. Het vertelt ons dat wij in ons midden plaats kunnen maken voor de Eeuwige. Hij zal ons laten weten dat wij niet alleen zijn. Hij zal met ons strijden en ons een spiegel voorhouden. Hij zal ons de weg wijzen van verzoening en daarmee onze beschaving perspectief geven.
Want allemaal zijn wij de vrucht van een lange familie-geschiedenis, waarin een hoop goed, maar ook van alles fout is gegaan. Er is moed voor nodig om het gevecht met die geschiedenis aan te gaan en de weg te kiezen van verzoening. Maar we mogen weten dat de Eeuwige erbij is en dat hij ons zal zegenen met nieuw vertrouwen en een nieuwe naam. Later zal ook Jezus zeggen: Ik verzeker je: je zult de hemel open zien gaan en de engelen van de Eeuwige zien opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.
Hij zal dicht bij de aarde blijven en zelf ons laten zien dat het hier te doen is: leven onder Gods hoede en je verzoenen met elkaar op de plaats waar je woont, werkt, leeft, droomt, waar je huilt en lacht. Waar soms diepe duisternis heerst, maar waar ook jouw engelen op en neer gaan om onze droefheid om het gedane,
om wat versteende en verwaaide, je schaamte en je schuld mee naar boven te nemen en goddelijke vertroosting mee terug te brengen. Blinde muren zullen verdwijnen en de Eeuwige zal ons doen gaan in tranen, door de nacht van de schepping, en ons gaande houden naar een nieuwe geboorte. We raken weer thuis bij onszelf en bij elkaar. Het is goed om dat altijd opnieuw te gedenken en te vieren en om ook onze kinderen in dat visioen te dopen. Vanmorgen zijn Olivier en Jasper de dopelingen. Ik wil de ouders vragen hun kind binnen te brengen in onze gemeenschap. Intussen zingen wij een lied.

Zoeken in Preken Online