Het is net alsof Jezus schrikt van wat Hij zegt in de eerste regels van het evangelie: ‘Wees op uw hoede en wees waakzaam, want ge weet niet wanneer het ogenblik daar is’. Dat kunnen ze verkeerd verstaan, moet Hij gedacht hebben. Nu gaan ze zitten wachten, nu gaan ze afwachten. Nu gaan ze naar de deur zitten te kijken, vechtend tegen de slaap. Waakzaamheid is een gevaarlijk woord; het zou christenen kunnen maken die alleen maar tegen de slaap vechten. En dat is niet zijn bedoeling. Er moet wat gebeuren; zelf is Hij nog lang niet klaar; dat moeten zijn volgelingen overnemen; ze moeten doorgaan. Daarom maakt Jezus gauw duidelijk wat hij bedoelt: het is ermee als met een man die in het buitenland vertoeft. Bij het verlaten van zijn huis heeft hij zijn dienaars het beheer overgedragen, aan ieder zijn taak gegeven en de deurwachter bevolen waakzaam te zijn. Die laatste hoeft alleen maar zijn ogen open te houden; de anderen moeten aan de slag. Waarmee? Dat zegt Jezus er hier niet bij. Dat doet er blijkbaar niet meer toe. Alles is even belangrijk. Als je maar aan de slag gaat. Aan ieder is een taak toegewezen.
We kunnen er nog wel iets meer van zeggen: die taak ligt in het verlengde van zijn activiteiten. Want Hij heeft het beheer over zijn huis aan ons overgelaten. En zijn huis is een huis vol vrede en vreugde. Dat is een huis waarin mensen kunnen en willen leven, zonder angst voor het milieu, zonder angst voor elkaar, zonder minderwaardigheid, zonder minachting voor anderen. Dat is een huis vol warmte en hartelijkheid en veiligheid. Dat huis van hem is een echt thuis, waar je zelf thuis bent en waar we thuis zijn voor elkaar.
Waar je zelf thuis bent. Dus niet op de vlucht voor onszelf. Maar tevreden met wat we zijn en wat we hebben. Zonder jaloers te zijn op anderen, want een jaloers mens wil eigenlijk een ander zijn. Zonder overdreven schuldgevoel, want het evangelie zegt ons heel duidelijk: als het fout was, begin dan opnieuw. Zonder depressies, want het evangelie zegt ons: je bent zo de moeite waard. Zonder stil te zitten, want het evangelie zegt ons: gebruik je talenten. Jezus wil dat wij léven, blij leven, tevreden leven. Want het zou toch een vreemde vertoning worden als we bij de komst van de Heer moeten zeggen: ik heb de laatste maanden niets meer gedaan, ik zag het niet meer zitten, ik vond mezelf niet de moeite waard. Wij moeten thuis zijn bij onszelf.
En wij moeten thuis zijn voor elkaar. Wat daarmee bedoeld wordt begrijpt alleen een mens die voor zichzelf thuis is. Want de echte naastenliefde begint bij onszelf. Zó zullen wij elkaar moeten beminnen. Wij moeten niet te gauw zeggen: ik ben niet thuis voor jou. Ieder heeft zijn taak. En tot die taak hoort heel zeker dat wij thuis zijn voor elkaar. Dat wij elkaar een thuis geven, een gevoel van thuis zijn.
Wat is het leven toch geweldig. Wat hebben we een kansen om voor elkaar thuis te zijn. En het wonderlijke is dit: als we thuis zijn voor een ander zijn we zelf ook thuis.
Zo gaf de Heer ons het beheer over zijn huis.