Wat een woord om het nieuw liturgisch jaar in te zetten: ‘Gij, Jahwe, zijt onze Vader, onze Verlosser is sinds eeuwen uw naam’. Jesaja leidt altijd de grote dingen in. Hij heeft altijd het woord op de grote ogenblikken. Hij leidt het jaar in.
Wij beginnen het jaar met zijn gebed tot onze Vader. Als Vader erkennen de oude Israëlieten hun God. Als Vader leert Jezus ons God aanbidden. Het is het kostbaarste erfgoed dat wij van Israël ontvingen. God kennen is thuis zijn bij een echte Vader.
Het is ook thuis zijn bij een Verlosser. Daar moet een woord uitleg bij. ‘Onze Verlosser is sinds eeuwen uw naam’, zegt Jesaja. Voor het Oude Testament is de verlosser hij die de vader vervangt. Hij neemt de rol van de vader over als die overlijdt. Hij staat in voor de weduwe en de wezen, over wie de Schrift zo dikwijls spreekt. Hij zorgt voor de familie die de vader achterlaat. Hij onderricht de kinderen in het geloof. Hij bereidt hen voor op het leven. Hij zorgt dat ze een man, een vrouw vinden om te huwen. Hij koopt het familiegoed terug dat de weduwe kwijtspeelt door armoede. Hij koopt alles los wat aan de familie toebehoorde en daarom wordt hij verlosser genoemd: hij lost alle schulden in. Hij is meer dan een voogd. Hij doet alles wat een vader in het oude Israël voor zijn kinderen zou gedaan hebben. Verlosser en vader zijn bijna synoniem. Zoals de kinderen de verlosser, de loskoper, vader noemden, zo noemt Israël zijn God Vader en Verlosser. Van Hem hebben ze alles te verwachten. Van Hem ontvangen ze alles: het leven en al wat er bij hoort. De verlosser is de redder van de familie. Zo is God de Redder van Israël.
Het gebed van Jesaja, het gebed van de Kerk bij het begin van het nieuwe jaar, wordt uit grote nood geboren. De Vader, de Verlosser, geeft het leven en bouwt het uit. De Redder vrijwaart voor de dood. Maar de dood heeft met grote macht ingegrepen in het leven van Gods volk. ‘Hoe zouden wij ooit redding kunnen vinden? Vuil lopen we er allen bij, vies als een stondendoek is ons gedrag. Als verwelkte bladeren zijn we allen, meegedreven op de wind door onze zonden’. Het verwelkte blad en de stondendoek betekenen de dood. Het blad neemt het levenssap van de boom niet meer op en wie bloed verliest, laat leven verloren gaan. Het bloed is zetel van het leven en het leven behoort God toe. Bloedverlies had iets met het kwaad te maken. Daarom werd de vrouw in haar stonden als onrein aangezien. Om dezelfde reden staan de Getuigen van Jehova ook nu nog geen bloedtransfusie toe.
Bloed en leven behoren toe aan God. Hij is de Heer van het leven. Het volk is dus onrein, ziek en vervallen. ‘Hoe zeere vallen z’ af de zieke zomerblaren’. Het is ten dode opgeschreven. ‘Niemand roept uw Naam nog aan. Niemand richt zich nog tot u om sterkte’. Tussen de Vader, de Verlosser, de Redder, tussen God die het leven geeft en het zwakke volk schijnt geen contact meer mogelijk. Het leven en de dood hebben niets gemeenschappelijks. ‘En toch’, bidt Jesaja, ‘Jahwe, onze Vader zijt Gij’
Adventstijd is tijd van bezinning en ommekeer. God wekt ook de doden ten leven. Hij reinigt de onreinen. Hij schenkt vergiffenis aan de zondaars. Hij is Vader, Redder en Verlosser. Het gebed van Jesaja treft vooral hen die in het gebed niet meer geloven. Het staat terecht aan het begin van een nieuw kerkelijk levensjaar. Hoe dichter iemand zich bij de dood waant, hoe dieper hij gevallen is, des te zekerder moet hij zich oprichten om de nabije Bron van alle leven, God zijn Vader, op te zoeken.
Opstaan! is de uitnodiging, het bevel, voor wie de dood nabij zijn. ‘Wees waakzaam’! is de uitnodiging, het bevel voor allen. De Heer Jezus komt. Hij is de enige Zoon van God, de oudste Broeder onder de kinderen, gezonden door de Vader, die velen dood wanen omdat ze zelf niet meer leven. Hij kan waarlijk alles terugkopen. Hij is waarlijk de Verlosser.