Zusters en broeders,
Laatst was ik bij de kapper. Mijn kapper en ik babbelen nogal eens over reizen. Dit keer vertelde hij me dat zijn vrouw binnenkort naar Nepal zou reizen. Ik vroeg hem of ze wel wist dat daar een burgeroorlog aan de gang was. Ze wist het inderdaad, maar het kon haar niet tegenhouden. Het was een oude droom die ze nu kon verwezenlijken. Het was ook niet echt een toeristische reis, wel een soort inlevingsreis. Ze werd georganiseerd door een gepensioneerde vloerenlegger die zich gespecialiseerd had in zogenaamde tegelkachels. Over zowat heel Europa had hij er geplaatst. En nu reisde hij. Niet zomaar reizen, nee. Hij ging nu al voor de elfde keer naar Nepal. Hij steunde en onderhield daar ergens een dorpsschool. Naar Roemenië was hij al een paar tientallen keren geweest, telkens met een vrachtwagen vol kachels die hij her en der tijdens zijn werk had afgebedeld. Die bracht hij allemaal op eigen kosten naar scholen en allerlei andere instellingen. Zelfs de uitkoopsommen die hij aan de grens aan de corrupte ambtenaren moest betalen, hoestte hij zelf op. Toen ik dat allemaal hoorde, zei ik spontaan: “Wat is er toch veel verborgen goedheid onder de mensen.”
Inderdaad, wat is er veel goedheid onder de mensen. Dikwijls stil en verborgen, dikwijls ook slapend. Zoals het geloof. Er is veel geloof onder de mensen, maar het blijft verborgen en heel dikwijls is het ook slapend. Het moet alleen maar opgewekt worden. Zoals Lazarus in het evangelie van vandaag. “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga erheen om hem te wekken”, zegt Jezus letterlijk. En op aandringen van de apostelen voegt Hij daaraan toe: “Lazarus is gestorven, en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven.”
En daarmee is het grote woord gevallen: “opdat gij moogt geloven.” Geloven blijkt dus niet zo gemakkelijk te zijn. Zelfs niet voor de apostelen, die nochtans dagelijks met Jezus omgaan, die zijn woorden horen en zijn werken zien. En die toch niet geloven. Niet zoals je het zou kunnen verwachten. Misschien is het uit angst, misschien kúnnen ze gewoon niet geloven, wie zal het zeggen. Angst speelt zeker mee, angst voor de dood. Jezus heeft heel wat vijanden in Judea. De meeste hogepriesters, schriftgeleerden en farizeeën uit Jeruzalem, de hoofdstad van Judea, willen zijn dood. Ook dat blijkt uit het evangelie van vandaag: ze wilden Hem voordien al stenigen. Jezus is geen Judeeër maar een Galileeër, en dus een halve heiden volgens die van Judea, zeker volgens de heersende klasse in Jeruzalem. Begrijpelijk dat de apostelen aarzelen om erheen te gaan. Zij zijn immers Jezus’ metgezellen. En wie haalt hen over de brug? Niemand minder dan Thomas. ‘Als Hij gaat, wij ook’, zegt hij. “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.” Merkwaardige taal voor iemand die al eeuwenlang ‘de ongelovige Thomas’ wordt genoemd. Misschien is hij wel de enige die in dit stadium echt in Jezus gelooft. Zo sterk gelooft dat Hij voor en met Hem wil sterven.
Maar opnieuw, geloven is niet gemakkelijk. Nu niet en toen niet. Dat blijkt ook zeer sterk op het einde van de evangelielezing. Toen Maria hoorde dat Jezus aangekomen was, liep ze Hem tegemoet. Ze werd daarbij gevolgd door de vele joden die bij haar in huis waren om haar en haar zus te troosten. “Joden”, staat er uitdrukkelijk, en dat lijkt merkwaardig, want ook Jezus en de apostelen waren joden. Maar als het woord ‘jood’ in een soort negatieve betekenis wordt gebruikt, slaat het altijd terug op die van Judea. Het zijn trouwens ook die ‘joden’ die Jezus ter dood hebben gebracht. Het zijn ook zulke ‘joden’ die Maria volgen. Voor hun ogen gebeurt een onuitsprekelijk wonder, een menselijk gezien totaal onmogelijk wonder: een dode die opstaat uit de dood. Niet zomaar een dode, en zeker geen schijndode. Nee, hij was al vier dagen dood, en zijn eigen zus waarschuwt beschaamd dat hij al riekt. En toch wordt die man door Jezus tot leven gewekt.
Zusters en broeders, normaal zou je verwachten dat iedereen met verstomming geslagen is, dat iedereen God luidop zou danken, dat iedereen zou geloven in de Man op wiens woord Lazarus was opgestaan. Voordien had Jezus nog uitdrukkelijk in die zin gebeden. “Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven dat Gij Mij gezonden hebt.”
“Opdat zij mogen geloven dat Gij Mij gezonden hebt.” Zonder uitzondering. En wat hoorden we in de laatste zin van de lezing. “Vele joden die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij gedaan had, geloofden in Hem.”. “Vele joden”. Niet allemaal dus. Alleen maar ‘vele’.
Zusters en broeders, laten we de Heer vragen dat Hij ons en anderen tot geloof zou opwekken, dag na dag. Laten we Hem bidden dat Hij ons uit onze slaap, nee, uit onze graven zou wegvoeren, zoals Hij in de eerste lezing belooft, en dat Hij zijn Geest over ons zou uitstorten. Over ons en deze wereld. Opdat we zouden leven. Opdat we, met Hem, op Pasen zouden verrijzen. Amen.