Vijfde kruiswoord (2008)

A-cyclus · Vasten · 5e zondag van de Vasten · paars

Wij mensen bestaan voor het grootste deel uit water. Om in leven te blijven, is water dan ook van essentieel belang. Even zonder voedsel kunnen we nog wel, maar zonder vocht, zonder water houden we het maar een paar dagen uit.
Water is levengevend.
Water reinigt ook.
In veel godsdiensten is water daarom het symbool van reinheid en vernieuwende kracht.
Wassen is niet alleen het vuil verwijderen van de buitenkant, maar tevens het bereiken van een innerlijke reiniging.
Met water wordt gedoopt en gezegend.
Op veel plaatsen vinden we geneeskrachtige bronnen. U kent dat vast wel. Misschien heeft u ook wel eens water meegenomen van zo’n bron toen u op vakantie was. Of misschien heeft u wel zo’n mooi Maria-beeldje uit Lourdes met een blauw dopje en gevuld met gewijd water. Ik heb er ook een. Gekregen van een dierbare vriendin op de dag dat mijn moeder begraven werd. Ze had het speciaal voor mij meegenomen uit Lourdes. Dat maakt het beeldje en het water extra bijzonder.
Op allerlei momenten worden we in ons leven geconfronteerd met de positieve kracht van water. Zelfs in sprookjes vinden we de symbolische kant van water terug bijvoorbeeld in wensputten en verjongingsbronnen.
Maar water kan ook verwoestend zijn. De kracht van water is enorm zoals we iedere keer weer zien bij overstromingen of hevige storm. Met watermanagement proberen wij mensen zoveel mogelijk grip op dat water te krijgen. Maar vaak moeten we erkennen dat haar krachten, ondanks alle inspanningen, toch te groot zijn voor ons. Overweldigend.
En als water vervuild is, kan het eveneens levensbedreigend zijn, vooral als je erop aangewezen bent voor je drinkwater.
Twee verschillende kanten van water en afhankelijk van de omstandigheden levengevend en verwoestend.
Ook in de bijbel vinden we deze beide kanten van water. Verhalen over de zondvloed en droogtes, en aan de andere kant oases en waterputten. Dorst, vaak gecombineerd met honger, is een terugkerend thema. ‘Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid’ sprak Jezus in de Bergrede. ‘Ik heb dorst’ zegt Hij aan het eind van zijn leven, hangend aan het kruis. Honger en dorst, maar waarnaar?
De lezingen van vandaag concentreren zich op het levengevende van water. Ten tijde van Jeremia heerst er grote droogte. Oogsten verdorren, de dieren hebben het slecht. De dood komt steeds dichterbij. De mensen weten niet meer wat te doen, dus roepen ze God aan. Hij is immers Mozes in de woestijn ook te hulp gekomen. Maar God heeft er geen zin meer in. Hij vindt dat de mensen alle kanten oplopen, niet naar Hem luisteren, en Hem nu alleen aanroepen omdat ze niets anders meer weten. Ze keren zich door hun daden af van het verbond dat Hij met hen gesloten heeft, en aan de andere kant doen ze een beroep op Hem om hen te blijven beschermen. Zo laat God zich niet voor het karretje van de mensen spannen. Hij is daar boos over. Zijn levende water is meer dan letterlijk water. Het geeft leven aan ieder die er ook echt in wil wonen, die Hem wil volgen, hoe dan ook. En niet alleen wanneer het uitkomt.
Dat God de mensheid toch niet helemaal heeft laten vallen, blijkt uit het evangelie. Hij heeft zijn Zoon gezonden die zegt ’levend water’ te geven. Jezus brengt dit levende water vervolgens in verband met zichzelf. Hij is Gods gave aan de mensen. Zijn woorden zijn destijds ervaren als een bron die verfrist, daarom geven we ze nog steeds aan elkaar door. Jezus geeft geen onfris water. Wie Hem ontmoet, wordt nieuw. Mensen die Jezus’ water drinken komen in contact met hun eigen vitaliteit, in hen komt het leven bruisend tevoorschijn. Wie hiervan drinkt, die wil niets anders meer.
Anselm Grün zegt hierover met een mooi beeld: ‘De leer van Jezus is als vruchtwater, waarin wij zwemmen en waaruit wij ons voeden.’ Vruchtwater en de moederschoot zijn zo omvattend, zo levengevend, zo is geen enkel water verder op aarde. Je bent er helemaal in ondergedompeld. Jezus biedt ons allen soortgelijk levend water aan en wil voor ons dit levende water zijn. Wij zijn allemaal welkom bij Hem, wie wij ook zijn. Dat geeft het veilige gevoel: ik mag er zijn zoals ik ben, en zoals ik ben, ben ik waardevol voor God. Deze uitnodiging werd goed zichtbaar tijdens Jezus’ leven. Hij at met iedereen. Niemand zonderde Hij uit van zijn tafel. Hij was hongerig en dorstig naar mensen, naar gerechtigheid, naar het koninkrijk van God, naar God zelf. Tot het laatste moment van zijn leven heeft Hij dorst: dorst om mensen te redden, ze te omvatten met zijn water en ze zijn water te geven. Door te drinken van Hem kunnen wij ook in onszelf een bron vinden die nooit opdroogt.
Zoals wij waardevol zijn voor Jezus, zo kunnen wij op onze beurt waardevol en een bron zijn voor anderen. Wij kunnen slokjes van zijn water doorgeven. Op allerlei manieren. Leven geven kan ook met kleine beetjes, bijvoorbeeld met een blik, een glimlach, met aandacht en elkaar willen zien. Door op onze beurt aan de ander te laten merken: jij mag er zijn zoals je bent. Jij bent voor mij waardevol.
Daarnaar dorst Jezus, daarnaar dorsten wij. Zo kunnen we elkaar te drinken geven, het koninkrijk bereiken, gelukkig zijn. Veel slokjes bij elkaar vullen immers ook een beker. Zo kunnen we voor elkaar het zout der aarde en licht der wereld zijn, zoals beschreven in lied dat we nu gaan zingen.

Zoeken in Preken Online