Als je gelooft, zul je Gods heerlijkheid zien

A-cyclus · Vasten · 5e zondag van de Vasten · paars

Johannes noemt de wonderen van Jezus ‘tekenen’ waardoor de leerlingen tot geloof in Jezus komen. Het laatste en het grootste teken is de opwekking van Lazarus. Het gaat dus in dit verhaal in feite om Jezus en de leerlingen. Lazarus kreeg het leven niet weer terug om daarna, misschien enkele jaren later te sterven, maar om ons te tonen dat Jezus ons leven en onze verrijzenis is. De opwek­king van Lazarus is een voorteken van Jezus’ eigen verrijzenis en de verrijzenis van Jezus is het voorteken van onze eigen opstan­ding. Wij moeten dus niet te zeer kijken naar Lazarus en ons vra­gen stellen over zijn verder aards leven, maar kijken naar Jezus die ons het nieuwe leven aanbiedt.

In de tijd van Johannes werden de christenen ook getroffen door de dood, zoals wij. En zij vroegen zich af: wat hebben wij eraan dat Jezus eens een dode tot leven opgewekt heeft, als Hij het nu niet meer doet? «Heer, als Gij hier waart geweest» - nu, vandaag - dan zou onze broer niet gestorven zijn. En als Jezus eens de blindgeborene genezen heeft, waarom zorgt Hij nu niet dat onze dierbaren niet meer moeten sterven? Op deze vragen, die ook ons nog bewegen, geeft Johannes ons een antwoord.

Lazarus dat ben ik en u, de mens die ziek is, de mens die Jezus liefheeft, wij die de dood reeds in ons bloed meedragen. Wij leven allen in Betanië, het huis van de ziekten. Hoeveel leed, ziekte en dood is er niet in deze wereld? Hebben wij allemaal geen dagen, waarop wij ons dood-moe voelen, dood-ziek, dood-verveeld? Zijn wij ook niet met zwachtels gebonden zonder bewegingsvrijheid, het gelaat bedekt met de zweetdoek van het menselijk lijden? Nu, zegt Johannes, Jezus houdt heel veel van ons, ook als Hij schijnt te talmen, ook als Hij ons doet wachten. Hij weent om ons en komt naar ons graf met de boodschap van leven. «Ik ben voor u alle­maal Verrijzenis en Leven.» Het is heel duidelijk dat Jezus hier niet spreekt van het aardse leven. Ook Hij heeft de dood ondergaan. Hij spreekt over het nieuwe leven, dat van God uit ons gegeven wordt, als wij in Hem geloven. Wie gelooft in Jezus ziet in het aardse leven geen einde: na de eenzaamheid komt de ont­moeting, na het lijden komt de heerlijkheid, na de dood komt het volle leven: dat getuigt Jezus in naam van Gods trouw. Jezus is ons niet alleen voorgegaan in de dood, maar ook in de verrijzenis. En ieder die gelooft in Hem, deelt reeds zodanig in Zijn verrijzenis en leven, dat zelfs de dood hem dat niet kan ontnemen.

Zo wordt Jezus’ heerlijkheid geopenbaard als wij geloven dat God wil dat wij leven, dat wij, aan de dood gewijde mensen, tot nieuw leven komen. Zo roept Jezus ook ons met luide stem: ‘Kom naar buiten, maak je los van je kleine verlangens naar bezit, naar aardse goederen. Kom naar buiten uit je graf, om te leven voor en met de anderen.’ Jezus vraagt aan Marta, die daar staat in onze plaats: ‘Geloof je dit?’ Geloof je, dat als je leeft zoals Ik, dat Ik je een veel dieper leven geven kan dat geheel gewijd is aan de dienst van anderen? Geloof je, dat je ook zoals Ik dood en lijden zult overwinnen en zult delen aan Gods eigen leven? Naarmate je vooruitgang maakt in de liefde, naarmate je je inzet voor de ande­ren, zul je tot leven komen, dat over de dood heen blijven zal.

Ben ik Lazarus in dit verhaal, of Jezus? Misschien allebei. Wij moeten zeker nog tot nieuw leven opgewekt worden om te leven zoals Jezus. Maar we zijn ook geroepen om zoals Jezus overal nieuw leven onder de mensen aan te kondigen; om andere mensen los te maken om te kunnen gaan in het spoor van Jezus.

Ja Heer, wij geloven vast dat Gij zijt de Zoon de God, die in de wereld gekomen is om ons van Godswege leven en verrijzenis aan te kondigen…

Zoeken in Preken Online