Vandaag spelen de lezingen met “licht” en “zien”. In het begin van dit lang evangelieverhaal zegt Jezus dat Hij het licht voor de wereld is. Voor Jezus en God is het dus duidelijk dat er duisternis is. Onze godsdienst ontkent niet dat er lijden is, maar stelt tegenover die duisternis het licht van het geloof. In het verhaal wordt letterlijk een man vanuit de duisternis naar het licht gebracht door Jezus. Maar voor dat gebeurt, vragen de leerlingen, als kinderen van hun tijd, zich af wie er gezondigd heeft: de blinde of zijn ouders. M.a.w. wie is de schuldige voor de blindheid? Wie ligt aan de oorsprong van deze straf van God? Merk op dat Jezus daar niet op antwoordt; Hij geeft een antwoord waarin Hij zegt dat niet God de oorzaak is van het lijden, maar de oorzaak van het goede, van het licht. De waarom-vraag van het lijden blijft hard klinken, ook vandaag nog. Leerlingen kijken altijd raar als ik zeg dat ik daar ook geen antwoord op weet. Ik probeer dan duidelijk te maken dat ik niet geloof dat God de oorzaak is van het lijden, dat God om één of andere reden het in zijn goddelijk hoofd haalt om mensen te straffen met lijden. En zo ben ik als een kind dat bang is om te slapen in het donker. Dat het ooit duister wordt ’s nachts, daar kan niemand iets aan doen, maar een klein nachtlampje kan een kind geruststellen. Als ik in de duisternis zit, dan is mijn geloof dat kleine nachtlampje, geen oogverblindend licht dat de duisternis verjaagt, maar een klein lichtje, een klein lichtpuntje in de duisternis dat mij een uitweg biedt, een richting. Soms, op mijn beste momenten, kan ik veranderen in zo’n nachtlampje voor iemand die het niet meer ziet zitten. Ook hier weer: geen groot licht, een klein puntje. Een klein teken van goedheid van iemand die zichzelf “kind van het licht” mag noemen. Keren we terug naar het evangelieverhaal waarbij Jezus de blinde geneest. Hij geeft hem terug de mogelijkheid te zien. Zijn leven verandert compleet en hij heeft meteen ook een andere kijk op wie Jezus is dan de geleerden waar hij voor gebracht wordt. Om te kijken wie Jezus is, onderzoeken geleerden of Hij zich aan de regels gehouden heeft. Hij heeft zich niet aan de sabbatwet gehouden, dus is hij een zondaar. De blinde werpt een andere blik op Jezus: Hij weet niet echt wie Hij is, hij weet alleen wie Hij voor hem was: iemand die hem terug heeft doen zien en daardoor zijn leven opnieuw zin en betekenis heeft gegeven. Het is een confrontatie tussen verschillende manieren om naar de wereld te kijken. Voor de hardleerse (want er zijn er blijkbaar ook andere) gaat het om een genezing op sabbat: de naakte feiten. De blinde kan niet alleen zien, hij kan ook al dieper zien: voor hem is deze genezing iets dat verwijst naar Iemand die van God komt. Dit zijn niet de naakte feiten, dit is interpretatie. Spreken over al het goede dat Jezus gedaan en gezegd heeft, behalve enkele heikele punten als verrijzenis bv, kan je bespreken met de meest empirische mens. Het is maar wanneer je in dit alles leest dat Hij wel de Zoon van God moet zijn, dat de botsing geschiedt. God kijkt anders dan mensen, voor Hem spreekt de werkelijkheid van zoveel meer dan datgene wat we oppervlakkig zien. In zijn spoor worden gelovigen uitgedaagd ook anders naar het leven te kijken. Kijken wij ook anders naar de wereld? Is voor ons ieder mens, wat hij of zij uitgespookt heeft, wie hij of zij moge zijn, waar hij of zij moge wonen “beeld van God”, broeder of zuster van ons, misschien iemand in wie Gods werken nog zichtbaar moeten worden? Of is vooral ons spiegelbeeld beeld van God? Is boer Joachim iemand die van ons kansen krijgt, ook al leeft hij in dat verre Haïti? Durven wij door ons echt solidair op te stellen het nachtlampje worden dat hem en andere mensen in armoede gerust stelt, een uitweg biedt, een richting aangeeft? Of blijven wij aan de oppervlakte met een peulschil als solidariteit? Durven wij de realiteit zo in de ogen kijken dat ze ons uitdaagt om solidair te worden en te zijn? Of leggen we ons nu ook neer bij de feiten omdat het altijd al zo geweest is? Steken we ons net zoals zoveel anderen in dit land van volle restaurants, volle winkelkarren en plezierreisjes ook weg achter de koopkrachtvermindering om niets te moeten doen voor mensen zonder koopkracht? De oneerlijkheid tussen Noord en Zuid is een uitdagende duisternis, een smet voor de kinderen van het licht. Niet de vraag wiens schuld dat is, moet ons bezig houden, wel de vraag wat wij er gaan aan doen, hoe wij in het leven van die mens zichtbaar kunnen maken dat God ook in zijn leven werkzaam is. Jezus had de blinde wat moed kunnen geven, hem kunnen zeggen dat God hem graag ziet en dan verder gegaan. Hij was toch al zijn ganse leven blind? Hij had zich toch al bij de feiten neergelegd? Hij moest toch niet meer hopen op het onmogelijke? Jezus legt er zich niet bij neer, grijpt in en schenkt nieuw leven. En de blinde, hij ziet dieper dan sommige geleerden. Hoe kijk jij naar de wereld? Wat zie je? Zie je vooral het negatieve om je heen dat je angstvallig verkrampt? Of zie je ook nog mogelijkheden om samen met anderen, mensen te laten opstaan uit de miserie die hen neergeslagen heeft? Weet dat dit laatste niet het gemakkelijkste is, want er zijn zoveel anderen die het anders zien en er je zullen voor veroordelen. Maar je kan het licht van liefde toch niet laten doven door mensen die gevangen zitten in duisternis? “This little light of mine, I’m gonna let it shine, let it shine, let it shine …”
Evangelieprikje (2008)
A-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze