Bij sommige niet meer zo jonge vrouwen leeft nog sterk de traditie van de grote lenteschoonmaak. Net voor de zonnestralen ons met volle kracht naar buiten zuigen, krijgt de binnenkant van onze woning een grondige beurt. Mijn moeder gebruikte ooit het beeld van die grote schoonmaak om uit te leggen wat vasten is. Zoals zij het huis mooi maakte, zo moesten we ook in onszelf grote kuis houden. Ik bedenk me bij het lezen van het evangelie van vandaag dat zij zonder het te weten bijna bijbelse woorden sprak. Om een terug te keren naar die grote schoonmaak: is dat wel nodig? Heeft het zin elk jaar opnieuw je huis in rep en roer te zetten om het eens grondig te kuisen? Er zullen daar waarschijnlijk verschillende meningen over zijn, feit is dat je dan wel eens dingen tegen komt waarvan je moet bekennen dat je ze niet veel meer gebruikt of erger nog dat je zelfs niet meer weet voor wat het gebruikt moet worden. Daarvoor alleen al heeft het zin omdat je dan toch weer wat plaats vrijmaakt voor dingen die toch ietsje belangrijker zijn dan dat dwazigheidje dat een goede verkoper je ooit heeft aangesmeerd. Eens tabla rasa houden is op zich dus niet slecht. Meer nog: soms is het noodzakelijk om terug met een propere lei te beginnen, te starten met een onbeschreven blad. Het is soms noodzakelijk omdat we door allerlei bijkomstige dingen niet meer zien wat essentieel is en wat bijzaak. Ik hoorde ons Hillary, de nieuwe minister van Buitenlandse zaken van de Verenigde Staten, zeggen dat een crisis ook kansen biedt. Ze heeft gelijk, een crisis kan ons helpen om het essentiële van het bijkomstige te onderscheiden. Dat geldt niet alleen voor de crisis die momenteel het Rijke Westen in een wurggreep heeft, dat geldt ook voor wat sommigen de crisis in de Vlaamse Kerk noemen.
Met een krachtige profetische daad, die per definitie schokkerend moet zijn, probeert Jezus het doel van de tempel weer duidelijk te maken. De tempel is een plaats voor gebed en aanbidding. Gebed en aanbidding horen beiden thuis in de intimiteit van een geloofsrelatie tussen een gelovige en God. Als de tempel een huis van gebed moet zijn, dan moeten mensen er tot rust kunnen komen en mag er stilte heersen. Het is vaak in die stilte dat God in ons hart spreekt. Wanneer daar natuurlijk marktkramers staan wiens doel het in eerste instantie is om handel te drijven, dan is de rust ver zoek. Godsdienst en handel zijn twee verschillende dingen, overal waar men probeert ze te vermengen lokt dat protest uit van mensen die de handel begrijpen als een belediging voor God. Naast een plaats van gebed moet het ook een plaats van aanbidding zijn. Aanbidding, wat een moeilijk woord. Hoe krijg je dat vandaag verkocht? Je hebt sterren die aanbeden worden door hun fans, maar is dat hetzelfde als God aanbidden? Moeten wij ook boekskes kopen waar God in voorkomt en stickers of andere prullaria in verband met God sparen? Uiteraard niet, maar toch helpt dit aanbidden mij om iets te proberen zeggen over wat God aanbidden is. Ik krijg namelijk als ik over stille aanbidding spreek onmiddellijk de vraag wat een mens daar nu aan heeft. Ik verander de vraag onmiddellijk in: wat heeft een idool er aan dat wij hem/haar aanbidden? Het lijkt vrij makkelijk om daar een antwoord op te geven: om die persoon aan te moedigen. Moeten we God aanmoedigen? Moeten is veel gezegd, denk ik, ik denk ook niet dat God niet verder kan zonder onze bemoediging, maar het zegt toch iets, namelijk dat aanbidden iets is dat je niet in eerste instantie voor jezelf doet maar wel voor die andere, diegene die je aanbidt. De vraag moet dus niet zijn wat een mens er aan heeft God te aanbidden, maar wel wat God er aan heeft dat wij Hem aanbidden. Iemand aanbidden is in die zin alleen mogelijk in een liefdesrelatie. Voor mij is God aanbidden dan ook niet meer, maar ook niet minder want eigenlijk is het heel veel, in alle rust bij God vertoeven, blij en dankbaar omdat Hij mij, soms een ellendig stukje mens, laat delen in Zijn leven. Zoals geliefden elkaar aanbidden omdat ze zijn wie ze zijn, zo aanbidden gelovigen hun God. Dat aanbidden kan je ook tonen met een of ander geschenk: een prachtig gedicht, een oorstrelende muziekcompositie, een bloemetje. Het belangrijkste is dat we er iets van onszelf in leggen, wat voor een relatie heeft men als men het alleen kan uitdrukken met iets dat iedereen kan kopen. Misschien zijn we in deze tijd te veel vergeten dat een geschenk van de orde van het geven is, minder van de orde van het kopen.
Met zijn profetische daad wil Jezus duidelijk maken dat de tempel weer een plaats van gebed en aanbidding moet zijn. Wat geldt voor de tempel, geldt evenzeer voor onze kerken. Het is een taak waar de Kerkraden zich ten velde mogen mee bezig houden. Maar naar het einde van het evangelie wordt het duidelijk dat Jezus het niet alleen heeft over gebouwen, maar ook over de tempel van Zijn lichaam. En dan wordt het heel stil in mij als ik mijzelf de vraag stel hoe ik die tempel betreed. Kan ik tot rust komen bij Jezus? Met andere woorden: is mijn vertrouwen in Hem zo groot dat ik mijn leven in Zijn handen durf leggen en zo, verlost van alle aardse problemen, tot een diepe innerlijke rust kan komen? Ik heb het hier niet over een innerlijke rust die er constant moet zijn, een mens kan en mag zich niet opsluiten in de tempel, maar toch: kunnen we in gebed tot rust komen in/bij Jezus? Ik word nog stiller en beschaamder als ik mij afvraag hoe het zit met mijn aanbidden. Ben ik Jezus dankbaar om wie Hij is voor mij of alleen maar om wat Hij allemaal doet voor mij? Enkel het eerste past in een liefdesrelatie en mijn relatie met God laat het zich het best beschrijven als een liefdesrelatie. Ook rondom mij staan handelaars te roepen en te tieren, biedt men vanalles aan om toch een goed mens te zijn zonder te bidden, zonder bijbel te lezen. Af en toe mogen ook wij die commercanten eens het zwijgen opleggen. We moeten dat niet doen met een zweep, we zijn Jezus niet en we moeten geen profetische daden stellen. Negeren kan al voldoende zijn. Ik wens u allen in deze veertigdagentijd een grote lenteschoonmaak toe!
zoals u misschien al is opgevallen stuurde ik zondag een prikje door voor het A-jaar, ik heb mij vergist in het missaal.