Enkele weken geleden zijn we vertrokken en op weg gegaan. Een tocht van veertig dagen en veertig nachten op weg naar Pasen. Feest van de verrijzenis, van leven dat niet sterft, van uittocht en doortocht en nieuwe intocht. En de liturgie reikt ons teksten aan om van te leven. Woorden voor onderweg. Zo toch is onze traditie: dat wij lezen uit de Schrift in alle tijden van ons leven. Zo ook dit uur. Met de Schrift voelen we de vermoeidheid mee in de woestijn van ons bestaan, voelen we ons dorstig in de droogte, zoeken we naar een oase, een bron.
‘Zie, Ik zal ginds, voor uw ogen, op de rots staan, de Horeb. Sla op die rots, er zal water uitstromen, zodat de mensen kunnen drinken’. Zo spreekt God tot Mozes. Hij anschouwt waar God is, en dus war leven is. Massa en Meriba noemt hij de plaats waar het water uit de rots stroomt. Beproeving en ruzie. Dit vanwege de verwijten aan het adres van Mozes en omdat het volk zich afvroeg: is God nu bij ons of niet? Mozes mag Hem aanschouwen. Zijn roepen wordt gehoord, zijn geloof, hoewel beproefd, wordt niet beschaamd.
Waar is God in mijn verhaal? Waar is Hij, nu ik hem zo nodig heb? Waarom krijg ik geen antwoord als ik roep? Indringende vragen, die we evenals Mozes allemaal wel kennen, uit onze eigen ervaring. Ons kostbare bestaan is kwetsbaar, en er is zoveel waar we geen antwoord op hebben. Wij dorsten te weten wie God is en waar we Hem kunnen vinden. Hij laat zichzelf niet zien, lijkt het, waarom blijft Hij zo onbereikbaar ver?
Met de vrouw in het evangelie komen we water putten bij de bron. Op het heetst van de dag, op een hoogst ongebruikelijk uur. Vele anderen hebben in de vroegte al water geput, om de hitte vóór te zijn. Hier gebeurt het omgekeerde van hetgeen we hoorden in de eerste lezing. Hier zien we eerst het water, en vervolgens maken we stap voor stap kennis met Jezus. De vrouw komt uit Samaria, en Joden onderhouden geen betrekkingen met Samaritanen, zoals we ook uit andere evangelieverhalen kunnen opmaken. Helemaal alleen komt deze vrouw naar de put, en tot haar verbazing is daar al iemand die wacht.
Er volgt een zevenvoudige dialoog. Jezus komt zeven keer aan het woord. Zes maal geeft de vrouw antwoord. De eerste keer noemt ze Hem ‘Jood’, dan spreekt ze Hem twee maal aan met ‘Heer’. Opvallend is dat ze eerst nog spreekt over de put en over water putten, zolang ze verwijzende woorden van Jezus niet hoort. Maar als Jezus laat zien dat Hij weet heeft van de geschiedenis die de vrouw met vijf mannen heeft gehad, lijkt het wel of in haar zelf een nieuwe bron is aangeboord. Dan spreekt ze van ‘Heer’ en ‘Profeet’. Uiteindelijk zegt ze dat ze wel gehoord heeft dat er Messias zal komen die alles zal verkondigen. En dan spreekt Jezus voor de zevende maal, en zijn antwoord luidt: Dat ben Ik, die met u spreek’. Ik ben, dat betekent bij Johannes altijd een openbaring van God zelf. ‘Ik ben’ is ook een verwijzing naar de Naam waarmee God zich bekend maakte aan Mozes. Ik ben die is. Ik ben er zoals Ik er ben, Ik zal er zijn. Die Naam is ons gegeven, als een woord dat onze ziel vervult, als een belofte van toekomst. Naar die Naam verwijst Jezus hier ook. Ik ben, die met u spreek.
Inmiddels komen de leerlingen terug en als de vrouw verdwenen is spreken ze met Jezus over voedsel, en over zaaien en oogsten, over zwoegen en vruchten plukken.
En als de vrouw terugkomt, heeft ze vele mensen bericht wie ze mocht ontmoeten. Dat is opmerkelijk, want eigenlijk deelt zij de invulling van de Messiasverwachting niet met haar Joodse gesprekspartner. Voor Samaritanen is de Messias een profeet, als Mozes, één die de Schrift, de Thora, op de ware manier uitlegt. Maar uitleg van de Schrift is geen boekenwetenschap, doch veeleer geleefde, doorleefde wijsheid. Dat wordt duidelijk door wat hier is gebeurd met de vrouw. Iets dat verder reikt dan louter verstandelijk begrijpen. Haar hart is geraakt. Zoals nooit tevoren.
Vanuit een diepe geraaktheid, bewogenheid, gaat zij vervolgens naar de stad terug om blij nieuws te melden aan ieder die het maar horen wil. Misschien is dit getuigenis wel te verstaan als het zevende antwoord van de vrouw. God ontmoeten betekent als vanzelf dat je ook je naaste ziet staan, dat je naar mensen toegaat. En de mensen zelf, op hun beurt geraakt door wat aan hen wordt bericht, roepen uit dat Hij werkelijk de redder van de wereld is.
Waar is God in mijn bestaan? Dáár is God, waar wij ons laten raken in datgene wat we met ons meedragen. Juist in de beproeving openbaart Hij zijn Naam, zijn aanwezigheid, zijn belofte van toekomst. Dáár is God, waar Hij zelf ons aanraakt met zijn levenskracht. Er is zoveel waardoor we verdord en verdroogd zijn. Verdriet of onrecht, verwaarlozing, drukkende zorgen. Maar het is juist temidden van dat alles dat God zelf mensen nabij komt.
‘Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb’, getuigt de vrouw aan haar stadsgenoten. ‘Hij weet alles van mij’. Jezus heeft het hart van de Samaritaanse geraakt en zij heeft zich láten raken. Zij heeft de waarheid gesproken en zich laten zien. Ook met het moeilijke, ondraaglijke, gekwetste, beschamende. Jezus heeft het aanschouwd en heeft geen oordeel uitgesproken. Hij heeft haar ontmoet van hart tot hart. Die ontmoeting heeft haar veranderd, haar leven verdiept en vernieuwd.
Mogen ook wij Hem ontmoeten, hier bij de bron, in deze viering van Eucharistie. Mogen ook wij ons laten raken door zijn aanwezigheid, ervaren dat Hij ons kent en ten diepste bemint. Mogen ook wij Hem herkennen als onze redder en Messias, die tot over de dood ons zal leiden. En gaan wij dan, verkwikt en gelaafd, onder zijn hoede vertrouwvol verder op onze tocht.