3

A-cyclus · Vasten · 3e zondag van de Vasten · paars

Aan het Vondelpark staat de voormalige protestantse Parkkerk. Sinds enige tijd is in die kerk het zogenaamde “Orgelpark” gevestigd. Een rijke meneer die heel veel van orgels moet houden, heeft de Parkkerk pico bello op laten knappen, ook het orgel van de kerk. En heeft daarnaast nog twee andere bijzondere orgels naar de kerk laten overbrengen en er gaat nóg een orgel bijkomen zo hoorde ik. Zou onze organist hier al geweest zijn, zo vroeg ik mij gisteravond af, want toen was ik daar, in dat Orgelpark, iemand had mij uitgenodigd voor een concert. Een Duitse pianist/organist speelde er in combinatie met een Bulgaarse pan-fluitist. Althans, zo klonk het: als een pan-fluit. Heel mooi en virtuoos.

Na afloop van het concert nodigde de gastheer mij uit om nog even met hem mee te komen voor een glaasje wijn. En ik dacht: zaterdagavond, de zondag is reeds begonnen: het mag! - van mijzelf … want op mijn vasteninzet formulier heb ik ingevuld: geen alcoholische dranken in de veertigdagentijd - maar de zondag is vrij. Er waren ook zoutjes.

Ik had al zo’n voorgevoel … Maar zeker achteraf constateerde ik: Ik had ’t niet moeten doen. Want: ik dronk té veel wijn en at té veel zoutjes. De vraatzuchtige en slurpende wolf in mij deed zich gelden. De beer kwam los. Te veel.

Een pastor en zijn strijd tegen zijn demonen - zoals U neem ik aan op uw beurt uw eigen strijd met úw demonen strijdt. Achterin mijn agenda heb ik inmiddels opgeschreven: “Vasten 2009: Vasten alleen bescheiden breken ná de mis op zondag tot aan de dagsluiting. Zaterdagavond dus niet.” Zo doe ík dat. Kijken of het helpt.

Door vasten en onthouding, veelgeliefden, zetten we de zaken even op scherp. Je komt jezelf daardoor meer tegen. En je ervaart: Ik kan falen en mislukken in de doelen die ik mij gesteld heb wat betreft dat vasten en die onthouding. En wat je dan vooral niet moet doen natuurlijk is: opgeven. Nee, veelgeliefden: gewoon weer opkrabbelen en de draad oppakken. In het openingsgebed van deze viering werd het prima verwoord denk ik:

“God, alle goedheid en barmhartigheid begint bij U; en om te herstellen wat de zonde heeft verstoord, hebt Gij ons geleerd te vasten en te bidden en met anderen ons bezit te delen. Laat ons genade vinden in uw ogen als wij onze schuld erkennen. Wees barmhartig en, nu het geweten ons bezwaart, doe ons opstaan uit de zonde. Door onze Heer Jezus Christus …”

Het geweten dat ons bezwaart …

In onze omgang met spijs en drank, onze zogenaamde “eerste levensbehoeften”, komen wij onszelf tegen, daarin gebeurt “het” - ook in het evangelie van deze dag …

Steeds weer moet er gegeten en gedronken worden. Wij hoorden: het is het “zesde uur”, het middaguur. Luch-tijd! De “jongens”, de apostelen, zijn op proviand uit. En Jezus zit, afgemat, bij een bron, een put - en vraagt een vrouw die daar komt putten om water. Maar in het gesprek dat volgt keert Hij het om, zegt Hij: “Als u de gave van God kende, als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend water gegeven”. En van dat levende water krijg je nooit meer dorst zegt Hij, “integendeel: het water dat ik hem zal geven, zal in hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.” “Heer,” zei de vrouw, “geef mij van dat water, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik hier niet telkens te komen putten.” En dan openbaart Jezus zichzelf aan die vrouw nadat Hij eerst heeft laten blijken dat Hij haar volkomen doorgrondt: al die mannen, al die relaties in haar leven … daarin spreekt een groot verlangen, een grote dorst. Blijkbaar is zij onverzadigbaar. “Un mer à boire”, zeggen de fransen. Ze zou de zée kunnen opdrinken die vrouw, bij wijze van spreken, en nóg zou haar dorst, haar verlangen niet gestild, niet gelest zijn.

Jezus houdt die vrouw en houdt ons een spiegel voor: Hij laat je zien wie je bent. Hij laat je zien hoe groot, hoe óeverloos groot je dorst, je verlangen is … Jezus is in gesprek met die vrouw en met U en met mij. Veelgeliefden, hier en nu gebéurt dat. Hier en nu gééft Jezus zichzelf aan ons: als wij Zijn Woord horen, als wij dat indrinken en zodadelijk als wij het sacrament van Zijn Lichaam en Bloed ontvangen. Jezus, Hij is “de gave Gods”. Wíj ontvangen Hem, zoals de Samaritaanse vrouw Hem ontvangt.

En zij, de Samaritaanse, raakt van Hem vervuld. Zij wordt vól van Hem. Op een geheel andere manier dan zij eerder vol was van al die mannen. Jezus komt ín haar. Op een totaal andere manier dan al die mannen ín haar waren. Want die gingen ook weer uít haar. En weer voelde zij zich verlaten en alléén en ellendig. Zo niet Jezus. Hij is ín haar gekomen en zal niet meer weggaan. Hij zal in haar aanwezig blíjven. Hij heeft in haar aangeboord: de bron die eeuwig op blijft borrelen en stromen blijft. Kijk maar: Ze gaat er vandoor, de vrouw, ze gaat terug naar de stad om over Jezus te vertellen. Ze gaat “verkondigen”. Maar haar kruik laat ze achter bij de put. Dat is een beeld veelgeliefden. Natuurlijk zal die vrouw gewoon moeten blijven drinken. Maar op een dieper niveau, op het niveau van de geest, is zij verzadigd. “My Jesus is enough for me”. “Mijn Jezus is genoeg voor mij” zei een katholieke priester op het Indonesische eiland Bali ooit tegen mij terwijl hij en ik een hindoeïstisch ritueel gadesloegen op een Balinees strand.

Jezus is genoeg voor mij. Is Hij dat werkelijk voor ons mensen? Waarom hebben we dan zo’n moeite met dat vasten en met die onthouding? Waarom dan nog zoutjes eten en wijn drinken als Hij zelf voor ons brood en wijn is geworden om van te leven? Ja … Ik denk: dat is precies de uitnodiging in deze tijd van het jaar: om werkelijk “te teren” op Hem - opdat Hij “opgaat” in ons. Hem wérkelijk de ruimte geven in ons leven, méér ruimte - en daardoor groeien “in Hem”. En als je groeit in Hem, dan groeit er in jou ook meer ruimte om met “anderen je bezit te delen” zoals wij in ons openingsgebed baden.

Afgelopen vrijdag meldde zich aan de pastorie een vrouw, rond de zestig schatte ik haar, in het gezelschap van een zoon van rond de dertig. Ze kwamen uit Bulgarije, sinds twee jaar een land van de Europese Unie. Zes nachten hadden ze getreind. Ze waren uitgeput. Uit pure ellende waren ze uit dat Bulgarije weggegaan. Het is er een hel zei ze, “die Hölle” - ze sprak goed duits. De mensen hebben niet te eten, ze sterven er van de honger. Zij en haar zoon waren de hel ontvlucht. En: “Wir sind katholisch! Helfen Sie mir bitte!”. Of de kerk maar helpen kon - net als de priester van de katholieke kerk in Thessalónika, Griekenland, zo goed geholpen had, want: daar, in Griekenland, weten ze hoe verschrikkelijk ’t in Bulgarije is …

Ik stond zelf net op ’t punt om naar een uitvaart van een vriend van mij in Arnhem te gaan. Ik heb moeder en zoon naar de overkant van de straat gebracht, naar de snackbar en aan Samuël gevraagd om hen te eten te geven. En ik heb meteen contact gezocht met ons PCI, de Parochiële Caritas Instelling. Een PCI-lid heeft aan ’t begin van de avond met hen gesproken en de helpende hand geboden. Maar evengoed mensen: Toen ik vrijdagavond laat een bezoeker uitliet zat die Bulgaarse vrouw, die bij wijze van spreken mijn moeder had kunnen zijn wèl op onze stoep op een paar uitgevouwen kartonnen dozen.

Ja veelgeliefden, met dit soort situaties worden we soms geconfronteerd. En ik zeg “we” en ik vertel er hier over omdat wij het met z’n allen zijn, als kerkgemeenschap, die aldus worden aangesproken en waarop een beroep wordt gedaan … En wat het PCI doet en wat ik doe … wij doen dat namens U allen. En de vraag is: Zijn wij aanspreekbaar? Doen wij iets? Of denken we en zeggen we: Die Bulgaarse vrouw en haar zoon zoeken ’t zelf maar uit? Geven wij “niet thuis”? Ik denk: er zijn vele manieren om antwoord te geven. En de vraag is: Welke kwaliteit heeft ons antwoord, welke kwaliteit heeft ons omgaan met zo’n situatie? Zit Christus er in, in ons antwoord? Getuigt ons antwoord van Hem? Ik denk veelgeliefden: Voor ons als kerk hangt daar alles van af. Welke kwaliteit heeft ons vasten? Welke kwaliteit heeft ons bidden? En welke kwaliteit heeft het delen van ons bezit met anderen? Ik ben er heilig van overtuigd: die drie dingen (vasten, bidden en delen), die hangen met elkaar samen. En zo ben ik er ook van overtuigd: als die kwaliteit ontbreekt, als Christus er niet of te weinig in zit bij ons, dan zullen wij als kerk niet overleven. Dan kan de zaak hier ook opgedoekt worden. Dan kan deze kerk ook moskee of orgelpark of klimhal of appartementen-complex of dépendance van de firma borrel worden. Dat verhoede God, veelgeliefden. Dat verhoede God. Amen.

Zoeken in Preken Online