De put, een bron, water. Daar omheen speelt zich vandaag het evangelieverhaal af. Een bron is iets heel speciaals. Een plek die van groot belang is voor het leven in die gemeenschap. Zonder water is er, zeker in de vaak verzengende hitte van het Midden-Oosten, weinig leven mogelijk. Het is daarom een belangrijke plaats. Een centraal punt waar mannen maar vooral vrouwen, samenkomen om hun watervoorraad aan te vullen.
In het Oude Testament worden veel bronnen genoemd.
Naast echte bronnen heb je ook waterputten. Het regenwater, dat maar af en toe valt, wordt bewaard in die regenputten. De regenputten heeft een nauwe opening en verbreedt zich naar de diepte. Op die manier kan men veel water verzamelen en het ook koud bewaren.
Putten kunnen wel meer dan 20 m diep zijn; de opening wordt door een platte steen afgedekt om te voorkomen dat mens of dier er in valt.
Ik weet niet of u wel eens in Turkije bent geweest maar daar zie je op het platte land, in droge gebieden, een put vanuit de verte. Het is een soort houten gevaarte waarmee je met een hefboom gemakkelijk het water kunt bovenhalen. In de woestijn in Egypte heb je van die putten waar een rijtje stenen rondom staan met een deksel en waarbij je zelf een emmer bij je moet hebben om water voor dieren of mensen naar boven te kunnen halen. En lekker koel dat dat water is in die verzengende hitte…. “Levend water”, stromend water, water uit een bron, is lekkerder water dan water uit een put. Het is frisser en bijna altijd schoon.
Het zware werk van water halen was in de tijd van de bijbel de taak van vrouwen en meisjes. En zo’n put of bron was een prima plek om nieuwtjes uit te wisselen en contacten te leggen.
In de Schrift lezen we ook over verschillende belangrijke ontmoetingen die plaats vinden bij een bron: Isaak en Rebekka, Jakob en Rachel, Mozes en Sippora.
In dit verhaal dat we net gehoord hebben gebeurt er iets wonderlijks. Een jood, een rabbi nota bene – dat is hem kennelijk aan te zien – een joodse rabbi spreekt een Samaritaanse vrouw aan, in de openbaarheid nog wel. We moeten ons voorstellen dat een rabbi nog niet eens z’n eigen vrouw of dochter in het openbaar mocht aanspreken. Laat staan een Samaritaanse.
En die ontmoeting tussen de twee vindt plaats op het 6e uur, midden op de dag en dus het heetste moment van de dag. Je kunt je afvragen waarom de vrouw juist dan dat zware werk doet. Misschien heeft ze wel reden om haar stadgenoten te mijden?
De bron waar ze bij staan bevat water, diep en ver weg, in het donker. En water heeft nog een bijzondere eigenschap, behalve dat het stroomt: het spiegelt. Je kunt jezelf erin zien. Je kunt je eigen gezicht zien in dat water. En Jezus houdt de vrouw bij de bron een spiegel voor. Hij zegt: je hebt vijf mannen gehad, waarmee hij bedoelt: je hebt vijf goden aanbeden.
Elke heuveltop in Samaria had een tempel waarin een god werd aanbeden. Ze heeft op vijf verschillenden ingezet en vijf keer heeft ze verloren. Die spiegel krijgt ze voorgehouden: je hebt afgoden nagejaagd. En om het simpel te zeggen: Jezus zegt je hebt in zonde geleefd. En daarmee had Hij zich om kunnen draaien en zijn weg kunnen vervolgen. Maar dat doet hij niet.
Jezus houdt de vrouw, houdt ons een spiegel voor in dit verhaal. Een spiegel die laat zien wie en wat we ten diepste zijn. Een spiegel die ons laat zien: een schepsel van God, een mens die vraagt om liefde en aandacht.Een Judeeër? Een Samaritaanse? Een vrouw? Een man? Jezus geeft liefde en aandacht. Hij is er op dat moment voor haar, voor deze vrouw.
Vrouwen zijn hem net zo lief als mannen. Net als mannen hebben vrouwen persoonlijke vrijheid en zijn ze zelf persoonlijk verantwoordelijkheid voor hun daden. Jezus behandelt deze vrouw bij de bron niet als vrouw, maar als persoon. Als medemens. Hij benadert haar niet in termen van leeftijd of huwelijkse status. Hij benadert haar in termen van haar relatie tot God. Met een eigen verantwoordelijkheid voor haar daden.
‘Ik ben het, die met u spreekt’, zegt Jezus. Voor het eerst horen we hier het “ergo eimi”, dat in Johannes steeds terugkeert. Ik ben…… En dan op dat moment dat Jezus dat zegt lijkt er iets bij de vrouw open te gaan. Wordt er iets in haar wakker.
Op het moment dat Jezus dit zegt wordt de vrouw zelf een bron van levend water. Ze heeft haar dorst gelest en keert ze zich om en wordt zelf apostel.
Als ze weggaat laat zij haar emmer achter. Het blijft als een stil symbool op die plek. Het doel van haar komst, waterputten, is ze vergeten. Ze heeft een ander doel gevonden wat haar vervult. En ze gaat weg om haar ervaringen met haar dorpsgenoten te delen.
‘Ik ben het, die met u spreekt’, ik ben… de naam van God. De naam van God waarmee hij zich bekend heeft gemaakt aan Mozes. Het verhaal bij het brandende braambos. Ik ben, als naam van God. Korter kan het bijna niet. Het betekent: Ik besta, ik ben bereikbaar. Ik sta voor je klaar, ik ben trouw. Met de naam Ik ben het komt God naar de mens toe. Komt God naar de vrouw toe. En komt God naar ons toe.
Ik ben het, is de garantie dat het goed zal aflopen met de mens, met ons. Dat er een God is die nooit laat varen het werk van zijn handen.
Het doel van God is de mens brengen tot zichzelf, tot je eigen identiteit. Zijn wie je bent, wie je zelf werkelijk bent. Er wordt niet gekeken naar wat je ouders deden of niet deden, er wordt naar je gekeken als mens in relatie tot God.
Jezus houdt de vrouw een spiegel voor, en houdt ons in deze veertigdagentijd een spiegel voor. Worden wij aangeraakt door de ontmoeting met de Eeuwige? Stellen wij ons daar voor open? Aan ons het antwoord.
Amen.