2e zondag in de veertigdagentijd A (2008)

A-cyclus · Vasten · 2e zondag van de Vasten · paars

De vorige week zondag, broeders en zusters, waren wij in de liturgie getuige van twee dramatische gesprekken. Zowel in het boek Genesis als in het evangelie was er sprake van een bekoringsscène. Waar de een, de vrouw, bezweek voor de verleidingskunsten van de slang, daar weerde Jezus alle listen van de duivel kordaat af. Wij mensen kunnen dus kiezen op onze levensweg. Misschien is die keuze soms moeilijk of is het een heel gevecht om overeind te blijven, maar staan blijft dat we niet zomaar aan het lot zijn overgeleverd. Het is de eer en glorie van de mens verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor zijn doen en laten. Die glans van ons bestaan moeten wij ons dan ook door niets of niemand laten ontnemen. Alleen zo zijn wij waarlijk mensen, beeld van de levende God.

Ook vandaag wordt in de lezing uit het boek Genesis weer iemand aangesproken en voor een keuze gesteld. En in het evangelie wordt juist als vorige week boven op de berg een gesprek gevoerd, maar nu niet met de duivel maar met Mozes en Elia. Maar laat ons beginnen met het verhaal van Abraham. Wat de Schrift ons over Abraham vertelt, is geen biografie. Was dat wel zo dan hadden wij beslist horen vertellen over geboorte en jeugd van Abraham. Niets van dat alles. In plaats daarvan krijgen wij een geloofsverhaal te horen, dat ons vertelt over de binnenkant van dit leven. Het gaat over Gods omgang met Abraham, dus over de ziel en richting van zijn bestaan.

Zo’n verhaal begint niet met een geboorte, maar met een roeping. En die hebben wij zojuist gehoord. Abraham wordt geroepen, hij wordt innerlijk aangesproken tot het gaan van een weg, zíjn weg. Hij de vader van alle gelovigen gaat vandaag in op een stem die hem roept stam, familie en land achter zich te laten en zijn eigen levensweg te gaan. Ga je eigen weg, die waartoe jij alleen geroepen bent. Onder Gods oog, onder Gods hoede. Doe niet een ander na, het zal jou geen leven brengen, maar ga jouw weg. Die stem klinkt in zijn bestaan. Hij klinkt in het bestaan van ieder van ons. Want Hij die ons het leven heeft gegeven met zijn scheppend woord, Hij spreekt nog altijd voort en roept: Leef! Ga op weg, naar jouw bestemming en wees zo anderen tot zegen. Want een mens leeft niet voor zichzelf. Het loopt als een rode draad door heel het geloofsverhaal van de Schrift, dat de eenling die zijn roeping vervult een zegen wordt voor heel die menigte mensen die zoekt en niet vindt, die verloren loopt of ten onder dreigt te gaan. Abraham wordt geroepen zijn weg te gaan en anderen tot zegen te zijn. Te laten delen in wat God hem geschonken heeft. Want roeping verplicht.

Abraham gaat op weg, zonder te weten waar de weg hem allemaal heen zal voeren. Roeping levert geen kant en klaar reisplan. Maar roeping geeft wel dynamiek en kracht om op weg te gaan langs ongebaande wegen, vetrouwend op die innerlijke stem die leven belooft. Abraham gaat op het kompas van Gods Woord, die innerlijke stem die de stilte niet breekt, maar het hart verwarmt en kracht geeft aan de voeten. Abraham gaat, broeders en zusters, en hij laat van alles achter, ja hij laat alles achter. Land, stam en familie. Hij verbrandt zogezegd alle schepen achter zich op weg naar een nog onbekende bestemming. Maar hij gelooft er heilig in, op grond van dat woord dat zijn schreden richt. Naar een land waar hij geen zwerver en bijwoner zal zijn, maar erfgenaam en disgenoot van God. Maar het wordt geen plezierreis. Wie op de Heer vertrouwt, wie ingaat op zijn woord, moet niet opkijken van zwaar weer, van woestijnen vooraleer het beloofde land in zicht komt. Van steeds weer afscheid nemen en opbreken, achterlatend wat het einde niet is.

Die reis voert Abraham tenslotte de berg op. De berg waar hij alles achter moet laten wat hij dacht te mogen houden of waarop hij meende te kunnen bouwen en vertrouwen. Daar op de berg zal Abraham na lang zwerven en zoeken zijn zoon moeten afstaan, het laatste en enige wat hij heeft, zijn toekomst, om de zoon zijn eigen weg te laten gaan en zijn eigen toekomst nogmaals helemaal van God te verwachten. Met lege handen, alles verwachtend van God, die bij zichzelf gezworen heeft hem leven te geven. Op de berg van het verbond.

Die weg van Abraham, broeders en zusters, Jezus is hem gegaan. Als geen ander heeft hij de vader van het geloof gevolgd. Als geen ander heeft hij de roep van de Vader gevolgd, dag in dag uit. Als Abraham is hij rondgetrokken, heeft hij het land doorkruist in alle richtingen, zonder vaste verblijfplaats, almaar voortrekkend. Gaandeweg mensen tot zegen, roepend in Gods Naam, helend en genezend. Almaar verder, soms toegejuicht, maar bovenal onbegrepen en eenzaam. Eenzaam, maar niet alleen. Want steeds was er dat stil gesprek en dat nachtelijk gebed met de Vader.

En nu staat hij op de berg. Niet de laatste in zijn leven, maar wel een die vergezichten biedt en ons deelgenoot maakt van Christus’innerlijk geheim. Steeds hoger heeft zijn pad hem gevoerd, van de oever van de Jordaan en de woestijn de hoogte op, waarheen hij enkele van zijn leerlingen meeneemt. Een ogenblik wordt de wolk weggeschoven en staan de leerlingen oog in oog met de glans die licht over het aangezicht van Christus. Zij mogen een glimp opvangen van de intimiteit die Vader en Zoon verbindt. De liefde die hen over en weer aan elkaar bindt, hen in elkaar doet wonen, zij kleedt de Heer in het licht, verblindend als de zon. Wij raken hier aan het hart van ons geloof, wij die vandaag samen met de leerlingen getuigen mogen zijn van de liefde die de Vader deze Zoon toedraagt; deze welbeminde, luistert naar zijn stem, zo klinkt het in onze oren, om zelf ook te mogen binnentreden in die levenschenkende gemeenschap van Vader en Zoon. Om in het spoor van Abraham en diens grote Zoon de weg te gaan tot op de berg van het verbond.

Daarboven op de berg wordt de Zoon ons getoond in zijn heerlijkheid, in zijn ware gestalte. Dat gebeurt terwijl Mozes en Elia met hem in gesprek zijn, die twee mannen die wet en profeten vertegenwoordigen. Mannen van God. Hun gesprek met de Heer, waarover kan het anders gaan dan over de weg door woestijn en duisternis, maar ook over Gods trouw en nabijheid in het uur van de beproeving. Mozes en Elia konden er als geen ander over spreken. Zij hadden er weet van uit eigen ervaring. Zij hebben met God verkeerd in wolk en vuur, in beproeving en in de diepe stilte van het gebed. Beide Godsmannen zijn van ons heengegaan, maar hun graf is niet onder ons, zo vertelt ons de Schrift. Verborgen in God, opgenomen in Gods levende leven na alles te hebben gegeven ten dienste van hun volk.

Die weg van Mozes en Elia, het zal de weg van Jezus worden. Een weg door de woestijn, een weg door wateren des doods. Maar gedragen door Gods van trouw. En ook zijn laatste rustplaats zal niet onder ons zijn. Zijn graf is leeg. Trouw tot in de dood zal hij het leven binnengaan, de eeuwige woontent van de Vader. Nog is het zover niet en Petrus is voorbarig met het aanbod een woontent op te slaan. Er is nog een hele weg te gaan, een steile klim, een eenzame tocht waarop alles wordt gevraagd. Maar het gesprek met Mozes en Elia heeft Jezus gesterkt en bemoedigd in zijn roeping.

Ook wij dalen de berg af en hebben een weg te gaan, onze weg. Laten wij hem gaan onder het geleide van deze Zoon van Abraham, Gods welbeminde. Dat wij luisterend naar zijn stem door nacht en nevel heen mogen komen tot de stad op de berg, het hemels Jeruzalem, waar alle tranen worden afgewist en God zelf alles in allen zal zijn: glans en heerlijkheid die alles en allen hult in nieuwheid van leven. AMEN.

Zoeken in Preken Online