Inleiding
‘Quaesivi vultum tuum; vultum tuum, Domine, requiram.’ ‘U wil ik zien, uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen.’
Vandaag,
op de tweede zondag van de Veertigdagentijd, kiest de Kerk het
evangelie van de gedaanteverandering op de berg. Bij die
gedaanteverandering mogen de apostelen een blik werpen op Gods gelaat
in Jezus. De inleidingzang, die ook altijd op deze tweede zondag van de
Veertigdagentijd wordt gezongen, sluit daar zorgvuldig op aan. ‘U wil
ik zien, uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen.’ Heeft God dan een
gelaat? God is toch onzichtbaar; Hij is toch een zuivere Geest. Toch
heeft Hij in Jezus zijn gelaat getoond. “Wie Mij ziet, ziet de Vader”, zegt Jezus (Joh 14,9). We zien vandaag hoe het gelaat van God zich weerspiegelt op het gelaat van Jezus. “Zijn gelaat begon te stralen als de zon.” De
zon van Gods liefde bescheen zijn gelaat en beschijnt ook ons gelaat.
Zoals mensen die lange tijd in gebed geweest zijn de glans van Gods
aanschijn op hun gelaat krijgen. Of zoals kinderen die nog iets
stralends hebben, of zoals verliefden: hun innerlijk geluk straalt naar
buiten. Misschien kunnen wij daarmee wel het beste het geheim van de
gedaanteverandering op de berg vergelijken. Jezus zag met een verliefde
blikt op naar het gelaat van zijn hemelse Vader en op zíjn gelaat
weerspiegelt zich de stralende liefde van zijn Vader.
De Vader ziet
neer op zijn geliefd Kind, de glans van zijn gelaat weerspiegelt zich
op Jezus’ gelaat, dat begon te stralen als de zon, en Hij spreekt daar
de woorden bij: *“Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld.” *Dat
is ook ons geheim, het geheim van ons leven. Bij ons doopsel sprak onze
hemelse Vader tot ieder van ons dit woord: ‘Jij bent mijn kind, mijn
welbemind kind, in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld.’ Laten wij dan
nu, - bij de herinnering aan ons doopsel - met het water waarmee wij
besprenkeld worden, ook die liefde van God over ons komen en neer laten
dalen in ons hart.
Homilie
“In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met Zich mee en bracht hen boven op een hoge berg."
Dat is ons leven, in één zin samengevat door Jezus. Hij komt uit de
hemel naar de aarde, en neemt ons in de navolging met Zich mee terug
naar de hemel, naar de allerhoogste God. Is ons bijeenkomen hier daar
ook niet een voorproef van, een vooruitgrijpen, doordat Hij ons, door
te luisteren naar zijn woord, met Zich meeneemt naar de Vader? Hij
neemt ons mee naar de Vader door zijn woord en doordat Hij Zich
verenigt met ons in de communie, hét moment waarop heel deze viering
uitloopt. Dat moment wordt door de evangelist vandaag uitgedrukt met: “Boven op een hoge berg, waar zij alleen waren”, met God. Een hemel op aarde! Een moment van apart genomen worden door onze Hemelmens op onze aardse pelgrimstocht.
Met
wie gaan wij dan mee? Met wie vereenzelvigen wij ons? Wie is het met
wie wij ons identificeren? Wie is ons model, ons levensmodel? Is dat
iemand die niet van deze wereld is, een droomfiguur uit een andere
wereld, een persoon uit de hemel, ver weg, iemand bij wie wij even
kunnen uitrusten om onze geplaagde zenuwen tot rust te laten komen?
Nee, Hij is en blijft een van ons, een aardemens, helemaal van onze
aarde. Zo eindigt dit evangelie ook: “Toen zij hun ogen opsloegen zagen zij niemand dan alleen Jezus.” Zoals
het begonnen is, zo eindigt het ook: met Jezus alleen, met Jezus die
hen meegenomen heeft vanaf beneden in de vlakte de hoge berg op.
Toch
is Jezus niet alleen maar een van ons. Want vlak voor de bestijging van
de hoge berg, nog beneden in de vlakte, had Petrus Jezus beleden als “de Christus, de Zoon van de levende God”, nadat Hij de leerlingen gevraagd had: “Wie zegt gij dat Ik ben?
(Mt 16,15.16). Jezus is Degene in wie God levend voor ons staat, in wie
wij het leven van de levende God voelen. En Petrus, die Hem zo in de
hoogte gestoken had, zelfs hoger gesteld had dan “Johannes de Doper,
Elia, Jeremia of een van de profeten (Mt 16,14), werd hierna door Jezus
ook een beetje in de hoogte gestoken: “Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”
(Mt 16,17). Petrus werd door de Geest van God bezield, verzaligd, toen
hij deze belijdenis uitsprak; daardoor voelde hij zich ook een beetje
zalig. En zonder dat hij zich dat zo bewust was, heeft hij zich die
genade ook toegeëigend en daarmee zijn hoofd in de hemel gestoken. Hij
werd er een beetje high van, een beetje boven zichzelf uitgeheven.
Datzelfde effect voelde Jezus ook bij zijn leerlingen hier boven op de
berg en Hij voorzag datzelfde effect, dat high worden van enthousiasme
over dat Hij de Messias was, ook bij de mensen aan wie de leerlingen
die ‘Messias-titel’ bekend zouden gaan maken en daarom “verbood Hij hun nadrukkelijk iemand te zeggen, dat Hij de Christus was” (Mt 16,20).
Dat
verbieden is nog tamelijk zacht uitgedrukt. Hij gebruikte daar een
ander woord voor, namelijk: ‘bezweren’. Hij voer tegen hen uit. Hij
legde met geweld op aan zijn leerlingen, dat zij die titel niet zouden
gebruiken en zich moesten ontdoen van al die verwachtingen, die
menselijke overwegingen, die zij bij die titel hadden: een politieke
krachtsfiguur, iemand die met kop en staart boven de anderen uit stak.
Nee, Jezus was niet zo maar een mens; Hij was de grootste, maar Hij was
ook de kleinste, de zwakste. Wat wij hier in deze lessen geleerd
krijgen, is dat wij in Jezus Iemand moeten zien, die wij niet moeten
vereenzelvigen met dé mens met zijn gewone ideaalbeelden, met zijn
gewone menselijke overwegingen, met zijn gewoon verzet tegen menselijke
zwakheid, met zijn neiging om het kleine in zichzelf te verdringen en
met zijn neiging om dus ook de kleinen te verdringen. Om het zieleven
te maken tot een strijd, tot een ‘struggle for life’, zoals het
Darwinisme het uitdrukt bij de overleving van de soorten, waarbij
alleen de sterksten overwinnen, waarbij de harde krachten de boventoon
voeren.
Dat mensbeeld heeft Jezus met even zoveel woorden
afgewezen, nadat Hij eerst had gezegd dat zijn leerlingen die
hoogheidstitel, niet in de mond zouden nemen. “Van dat
ogenblik af begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar
Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de
oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, maar dat Hij na ter
dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen” (Mt 16,21).
Deze woorden kwamen over Petrus als een ijskoude douche, en het was ook
de bedoeling van Jezus om hem te ontnuchteren, om hem weer bij de les
te krijgen. Maar dat begreep Petrus nog niet en daarom zei hij*: “Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!”*
(Mt 16,22). Jezus echter gaat hier frontaal tegen Petrus in, als was
deze opnieuw bezield, maar nu door een verkeerde geest, door een
onreine geest. “Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een
aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet
door wat God wil” (Mt 16,23). En daarna zegt Hij ook nog eens tot
zijn leerlingen, die uit hetzelfde hout gesneden zijn als Petrus, en
zoals wij: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf
te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil
redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil,
in vereniging met Mij, zal het vinden” (Mt 16, 24.25).
Jezus is
in al zijn grootheid een door en door zwakke mens, die er een heilige
zaak van maakt die zwakheid niet alleen te dulden, zoals mensen
tenslotte dan wel bereid zijn te doen, maar er Zich van harte aan
overgeeft, overlevert, en wel op een actieve manier. Pas dan, nadat
Jezus eerst zijn geloofsbrieven heeft overhandigd over wie Hij is, na
de woorden beneden in de vlakte uitgesproken te hebben over zijn
grootheid én over zijn kleinheid, neemt Hij zes dagen later drie van
zijn leerlingen mee, dezelfde drie die ooit eens getuige zouden zijn
van zijn zwakheid tot het uiterste, in de Hof van Olijven. Hij nam ze
mee naar een hoge berg om alleen te zijn. En daar “werd Jezus voor hun ogen van gedaante veranderd.” Hij werd doorschijnend; hemels licht doorscheen zijn gestalte, vooral zijn gelaat. “Zijn gelaat begon te stralen als de zon, en zijn kleed werd glanzend als licht.” Zelfs zijn kleed nam deel aan dat licht.
Verworpen
door de overheden, door de leiders van zijn volk, werd Jezus
verheerlijkt door de Allerhoogste, tot Wie Hij in gebed was. Verworpen
door de gewone leiders van het volk, werd Hij aangenomen door Mozes en
Elia. Hij werd als gelijke in hun gezelschap opgenomen, dat wil zeggen:
door Wet en profeten, de hoogste geestelijke autoriteiten aan wie alle
menselijke autoriteiten hun gezag ontleenden, op wie zij zich altijd
beriepen. Zíj staan achter Jezus! Maar waarover onderhielden Mozes,
Elia en Jezus zich? Waar ze het over hadden, wordt niet gezegd. Er viel
dus niets te beluisteren. Maar aan iets wat alleen maar te zien is,
daaraan ben je niets verplicht, daar hoef je je niet aan te houden.
Daarom volgde op wat er te zien was iets wat er te horen was. De
autoriteiten, de geestelijke autoriteiten, Mozes en Elia, verdwenen uit
het zicht, en nu wordt de aandacht gericht op Iemand die je niet kunt
zien: de Allerhoogste, de Onzichtbare, de Verborgene. “Uw Vader die in het verborgene is en in het verborgene ziet” (Mt
6,18), die niemand kan zien, die niemand ooit heeft gezien, Hij
openbaart Zich. Een wolk geladen met zijn goddelijke tegenwoordigheid
nadert de aarde, nadert tot de leerlingen. Zij voelen zich in de ban
van die hemelse tegenwoordigheid geslagen en ze werpen zich ter aarde
neer. Ze zijn volkomen gespannen op die tegenwoordigheid van de
Allerhoogste. Hij begint te spreken en Hij geeft Zich te kennen als de
Vader van Jezus: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde.”
Precies datzelfde woord heeft Hij ook gesproken bij het doopsel van
Jezus in de Jordaan, dus tot de lijdende Dienaar van de Heer: ‘de
Welbeminde’. Maar Hij voegt er nog één ding aan toe: “Luistert naar Hem.”
Dat
is gezegd tot Petrus en het wordt ook gezegd tot ons allemaal, omdat
wij diezelfde menselijke overwegingen hebben, dat verzet tegen lijden,
tegen menselijke zwakheid, tegen kleine mensen die behept zijn met hun
zwakheden en met hun zonden. “Luistert naar Hem.”
We moeten luisteren naar ons geweten, dáárin spreekt God. Wat wij in
ons geweten horen, krijgt pas betrouwbaarheid binnen het Woord van God:
Jezus; als ons geweten dus verbonden is met de Zoon van de levende God,
met Jezus zelf, dé Christus.
De bedoeling van de kerkelijke
vieringen is dan ook om ons gewone menselijke aanvoelen te verrijken
met het Woord van God en met zijn liefdevolle gestalte in Jezus. We
worden met Hem verenigd door het Woord. Want het Woord is meer dan een
woord, het Woord is een daad, het is de krachtdaad van God zelf, het is
een sacrament dat geeft wat het zegt. Dat wordt in het tweede gedeelte
van de eucharistie opnieuw waar gemaakt, waarin dat Woord vlees wordt,
zwakheid wordt, en daarin het liefdesvermogen van de mens tot het
uiterste toe mobiliseert.
Dat is ons heilig geloof en dat mogen nu gaan belijden in het Credo, in het ‘ik’ geloof.