Het is alsof Matteüs zelf niet weet wat te doen met het verhaal over de gedaanteverandering van Jezus. Is het echt gebeurd? Of was het alleen maar een visioen, of misschien een droom? Zelfs Jezus schijnt in die termen te spreken, als hij verbiedt om met iemand te praten over wat ze ‘aanschouwd’ hebben, voordat alles vervuld zal zijn. Maar misschien bedoelt Matteüs juist te zeggen dat het geen droom was, als hij vermeldt dat Jezus hen kwam aanraken, toen ze in schrik hun hoofden in de aarde verborgen. Is dat aanraken, jezelf, of een ander, bij de arm pakken, niet juist wat we doen als we ons¬zelf proberen te overtuigen dat iets geen droom is, dat we niet aan het slapen zijn?
Het hele verhaal lijkt op het verslag van een droom. Het is juist alsof het rechtstreeks uit een boek van Freud of Jung komt. Er zitten zo veel symbolen in het verhaal: de hoge berg (er zijn in Palestina niet eens hoge bergen!); het stralen van zijn kleding; zijn gezicht dat in de zon schijnt te veranderen; de twee gezagsfiguren (Freud!) Mozes en Elia; de opmerkingen van Petrus, die het eerst best aardig vond, en zelfs drie schuilhutten wil bouwen; de lichtende wolk, die al het licht dat er al is weer tot een donkere schaduw maakt; de stem die klinkt van heel ver boven; hun angstreactie, en hun wakker worden als Jezus hen aanraakt.
Was het dan toch een droom?
Nog niet zo lang geleden zou dat in onze contreien bijna het¬zelfde betekend hebben als dat het niet waar was. ‘Kom nou, je hebt zitten dromen!’ Die connotatie heeft een droom nog steeds. Wat je droomt is niet waar. Soms is dat jammer, maar vaak is het maar goed ook! Ieder van ons is wel eens met een zucht van verlichting wakker geworden na de droom van een arrestatie, een vervolging, een ongeluk, een grandioze mislukking, of een ter dood veroordeling. De geweren van het vuurpeloton waren al op je gericht. De warmte van je bed, de lakens, de kamer, en de vertrouwde scheuren in de kalk van het plafond boven je zijn dan een hele geruststelling. Het was alleen maar een droom!
Wat er in een droom gebeurt is niet echt. Maar dat daarom een droom helemaal niets betekent, kunnen we nauwelijks nog volhouden. Kijk er de boekwinkels en de boekenplanken van de retraite- en bezinningscentra maar eens op na. Ze staan bol van de handreikingen om dromen te interpreteren. Misschien was het dus wel een droom. Een droom die dan goed afliep, omdat ze eenmaal weer wakker, alleen maar hem zagen.
Maar wat betekende die droom dan? Hadden ze niet gezien hoe door hem alle licht in de wereld scheen te stralen. Hadden ze niet gezien hoe in dat licht zelfs de figuren van Mozes en Elia verdwenen waren. Een beetje zoals wanneer je in een sterke lamp kijkt, en dan dat licht een hele tijd na ziet gloeien in je ogen, zodat het in alles waar je naar kijkt op licht? En die stem? Zei die niet, dat Jezus zijn zoon was, en dat ze naar hem dienden te luisteren?
Wat betekent dit allemaal? Wat doe je eigenlijk als je dit gelooft? Wat beweer je eigenlijk als je dit doorgeeft, of als je het preekt? Introduceer je hem dan feitelijk niet als de enig absolute? Kan dat dan nog in een tijd waarin we zoveel nieuwe ethische problemen te bespreken hebben, en waarin we zo onverwacht en onvoorbereid met allerhande andere godsdiensten, hun profeten, Messiasfiguren en goeroes geconfronteerd worden? Het is alleen in de realiteit van ons dagelijkse leven dat een droom werkelijkheid wordt, ja of nee. Om die mogelijke realiteit gaat het bij iedere droomuitleg. Om die werkelijkheid gaat het ook in dit geval. Zo lang Jezus niet door onszelf als een kracht in de werkelijkheid van ons leven ervaren wordt, heeft zijn gedaanteverandering geen enkele echte betekenis. Dan blijft hij een droom, een mooie, een heel mooie, misschien zelfs wel de mooiste die we ooit zullen hebben. Zo mooi dat we, als we wakker worden, zeggen: ‘Wat jammer, dat het alleen maar een droom was!'
Misschien dachten die drie, Petrus, Jakobus en diens broer Johannes dat ook wel, totdat hij hen aanraakte, en zei: ‘Sta op, en wees niet bang!’ Toen ze opkeken, zagen ze alleen hem. Hij was echt. Samen met hem daalden ze de berg af, en hij zei tegen hen: ‘Met niemand over praten, tot je het helemaal gezien hebt, met Pasen!’…