Jezus reageert niet op het voorstel van Petrus om drie tenten op te slaan, een voor Hem, een voor Mozes en een voor Elia. Het ogenblik is niet gunstig. Jezus moet zijn tocht voortzetten. De Tabor is een heerlijk moment, tussen drie voorspellingen van het lijden, een rustpunt, niet het eindpunt van de weg. Wie zegt: “Het is hier heerlijk”, nodigt de anderen uit om te blijven. Jezus wil zijn leerlingen verder brengen. Hij kent een plaats waar niemand nog zal storen. Hij moet nog naar Jeruzalem, en verder dan Jeruzalem naar het Beloofde Land, met het hemelse Jeruzalem als hoofdstad.
Zijn tocht wordt vergeleken met die van Abraham. Het ligt niet in de gewoonte van de kerk Jezus met Abraham te vergelijken. Zij vergelijkt Hem meer met diens zoon Isaak, de veelgeliefde, die Abraham moest offeren maar in wie de zegen zou voortgezet worden. De tocht moet verder gaan zolang de zegen niet voltrokken is.
Abraham is het geheugen en de hoop van allen die door Wet en Profeten gedragen naar de heerlijkheid van de Messias uitzien. Abraham heeft alles verlaten, zijn land, zijn stam en zijn familie. Hij gaat op tocht, van bron naar bron, van heiligdom naar heiligdom, van offer naar offer, van zegen naar zegen, van belofte naar belofte, van openbaring naar openbaring, van vervulling naar vervulling. Diep onder de grond sijpelt het water, verzamelt het zich tot steeds rijkere aders, om temidden van uitgestrekte woestijnen, op zeldzame plaatsen op te borrelen, het leven te verzekeren. Zo verzekert God Abraham op zeldzame ogenblikken dat hij het leven en de zegen zal doorgeven. “Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde”.
De tocht van de Messias zelf moet verder gaan. Uit Hem moet het godsvolk nieuw geboren worden. Af en toe manifesteert zich in Hem en aan Hem de levenwekkende kracht van God, de zegen over zijn werk, het welbehagen van de Vader, de heerlijkheid uit de hemel: bij de geboorte in Betlehem, waar de engelen aan de herders een teken geven, bij het doopsel in de Jordaan, waar de Geest als een duif over Hem neerdaalt en waar God zijn welbehagen in Hem openbaart, bij het bezoek van de Grieken in Jeruzalem, die Filippus en Andreas tot bij Hem leiden en waar Hem weer een stem uit de hemel verheerlijkt. Zo is het ook op de Tabor.
Zoals Abraham af en toe bevestigd werd in zijn geloof, zo wordt Jezus gesterkt in zijn zending door de wonderen en de openbaringen die af en toe zijn heerlijkheid laten zien. Maar de tocht gaat verder. Het leven van Abraham en van het volk uit hem geboren, het leven van Jezus en van zijn leerlingen kent af en toe die flitsen van Gods aanwezigheid die alles in een fel licht plaatsen dat het hart bevestigt van die op tocht zijn. De tocht kent heerlijkheid en vertwijfeling, hoogten en diepten, licht en duister.
De levenstocht kent goede en kwade dagen. De tocht van het geloof verloopt niet anders. Jezus’ leven is niet anders verlopen. “Hij was in alles aan ons gelijk, behalve in de zonde”.
Volg Hem verder op zijn tocht. Zoals Paulus schrijft aan Timoteüs: “Draag uw deel in het lijden voor het Evangelie”. “Christus Jezus, onze Heiland” is verschenen en “onvergankelijk leven deed Hij aanlichten”. Het is dit licht dat u op de Tabor verblindt. Zeg nadien niet: ik heb niets gezien. Zeg niet: ik heb geen stem gehoord. Zeg niet: ik was nooit op de Tabor. Zeg niet: Jezus veranderde nooit van gedaante. In de woestijn van elk leven zijn er bronnen. Uit elk gelaat straalt wel eens een groot licht. Geloof, zoals Abraham, in Gods zegen op uw tocht. Ook gij zult dan voor velen een zegen zijn. Van bron tot bron zult ge de uwen leiden. Laat u door Jezus aanraken en sta op, telkens als God in uw leven gesproken heeft. Jezus is reeds “uit de doden opgestaan”. Wacht niet om aan anderen te vertellen wat ge gezien en gehoord hebt. Mozes en Elia zullen u inspireren om velen mee te nemen op de tocht…