Zusters en broeders,
Stel u een kind voor van enkele maanden oud. Het herkent zijn ouders, zijn grootouders, vrienden en bekenden. Het lacht als je er iets tegen zegt, het maakt de eerste spraakgeluidjes, het kraait van plezier, het speelt met alles wat het onder handen krijgt, het knuffelt zijn poppen en beren. Als we het zien loopt ons gemoed vol, misschien pinken we een traan weg van geluk, en we denken of zeggen: Zo moest het altijd blijven, zo grappig, zo aantrekkelijk, zo aanhankelijk, zo oneindig lief.
Ik denk dat iedereen dat gevoel wel eens heeft, zusters en broeders. Dat gevoel van: zo moest het altijd zijn. Een geboorte, een mooie zomerzondag met een ijsje en een drankje op een terrasje of onder de parasol in de tuin, een herwonnen gezondheid, je trouwdag, een gezellig familiefeest, je diploma, de dag waarop je je bewust werd dat je van die man of die vrouw hield met wie je dan later ook getrouwd bent: zo moest het altijd zijn, zo’n dag, zo’n uur, zo’n vrede mocht niet voorbijgaan, nu moest de tijd blijven stilstaan. \
Dat is precies wat Petrus in het evangelie meemaakt. Samen met Jezus, Jacobus en Johannes bestijgt hij de berg Tabor, en daar ziet hij Jezus in zijn werkelijke gedaante: de verheerlijkte mens, in een verblindend, schitterend licht. De God-mens die het lijden en de dood al overwonnen heeft nog voor Hij op het kruis gestorven is. En dan de reactie van Petrus: Laten we hier drie tenten bouwen: een voor u, een voor Mozes en een voor Elia. Soms leidt men uit die reactie af dat hij er niets van begrepen had, dat hij zo verdwaasd was door wat hij zag dat hij wartaal uitkraamde. Maar je kan het ook anders zien, en zeggen: Petrus had het maar al te goed begrepen. Precies zes dagen voordien had Jezus immers zijn eigen lijden en dood voorspeld, maar ook zijn overwinning daarop door zijn verrijzenis. En nu zag Petrus de voorafbeelding van die verrijzenis, hij zag Christus in zijn ware, goddelijke gedaante, in zijn Paasgedaante, en die Christus wilde hij vasthouden. Daarom wil hij ook snel drie tenten bouwen. Op die manier wil Christus boven op die berg houden, om zo het lijden, de ellende en de dood over te slaan.
Maar zo werkt het heilsverhaal natuurlijk niet, en daarom is er de stem uit de wolken die Petrus en zijn metgezellen tot de orde roept. “Niks drie tenten bouwen“, gebiedt de stem, “niks hier boven genieten van je verheerlijking en je niets aantrekken van beneden. Niks genieten van je eigen zaligheid, dicht bij Mij, maar ver van de werkelijkheid waarvoor je mee verantwoordelijk bent. Hou op met dromen, daal van je berg af, ruk jezelf los uit je beperkte bestaan dat alleen op jezelf, op je bezit en op je eigen kringetje gericht is, en zet je in voor je omgeving, zet je in voor de anderen. Maak mijn en uw wereld leefbaar voor jezelf en voor iedereen. Besef dat liefde een werkwoord is, dat geluk moet verdiend worden, dat je de wereld moet opbouwen. Besef ook dat je door het donker heen moet, maar weet dat Ik, uw God, aan de andere kant van de tunnel sta, en dat Ik je niet alleen laat. Integendeel, Ik zend je mijn eigen Zoon. Naar Hem moet je luisteren, en aan Hem moet je jezelf spiegelen. Doe zoals Hij, Hij gaat de uitdaging, de problemen, de gevaren, het lijden niet uit de weg. Hij is trouw aan zijn zending, trouw tot de dood toe, zelfs tot de dood aan het Kruis.” \
Dat is de oproep van de stem uit de wolken, dezelfde stem die Abraham letterlijk uit zijn tent lokte, die hem opriep alles achter zich te laten, en naar het Beloofde Land te trekken, een land van melk en honing, zoals het zo mooi verwoord is in het Oude Testament. En, zusters en broeders, Abraham deed dat. We staan er niet bij stil, we lezen het als een verhaal, misschien zelfs als een soort sprookje, maar je moet er toch eens over nadenken: wie van ons zou het doen? Alles achterlaten, breken met alle zekerheden, en op zoek gaan naar een vaag beloofde droom die je dan nog zelf moet waar maken. Abraham deed het. Ons vraagt de stem niet dat we alles achter zouden laten. Wel vraagt ze ons in deze vasten dat we ons wat zouden losmaken van wat ons hier te zeer bindt, dat we wat minder op grote voet zouden leven, en dat we zouden leven als Jezus, dat we dus samen de wereld leefbaar zouden maken. Want in Jezus is God helemaal mens geworden. Hoe meer we op Jezus gelijken, hoe dichter we bij God komen te staan. Laten we ons dus niet te zeer afleiden door wat ons bindt op deze aarde, want hoe sterk en hoe machtig en hoe eeuwigdurend het ook moge lijken, het is week, en zwak en voorbijgaand. Alleen aan het Godsrijk komt geen einde, alleen het Godsrijk is eeuwig.
Zusters en broeders, laten we niet op de berg Tabor, maar hier, op deze, onze wereld, drie tenten bouwen: een voor het geloof, een voor de hoop en een voor de liefde. En als we de wereld met zulke tenten zullen volgebouwd hebben, wacht ons, net als Jezus, de verheerlijking bij onze hemelse Vader. Amen. \