Vastentijd is groeitijd: onze zelfzucht ontmaskeren en nu kiezen voor het goede (2005)

A-cyclus · Vasten · 1e zondag van de Vasten · paars

De veertigdagentijd is de periode waarin wij uitgenodigd worden
tot grotere echtheid en eerlijkheid.
Zoals voor Jezus vraagt dit een dagelijkse strijd en keuze
voor het goede en tegen het kwaad in en rondom ons.
Maar het kwaad is een zeer bedrieglijke, valse macht,
omdat het meestal verschijnt, vermomd als het goede.
Een bekoring is altijd aanlokkelijk,
omdat er voor een deel inderdaad iets goeds in steekt.
Met grote spitsvondigheid stelt het kwaad zich aan ons voor
als iets dat volledig goed en normaal zou zijn.
De waarheid vraagt nu dat wij, vooral in deze vasten,
die strategie durven ontmaskeren.

Op de eerste zondag van deze vastentijd
spreekt het evangelie over drie bekoringen
tegenover onze drie fundamentele relaties:
met de dingen, met de mensen en met God.

De eerste bekoring gaat over het gebruik
van de levensnoodzakelijke dingen.
Onze zorg voor het materieel welzijn is goed.
“Waarom zouden wij niet mogen genieten
van de welstand die voorhanden is?”
“Wij hebben eigenlijk toch wel een minimum
aan bezittingen en comfort nodig!” En wij hebben gelijk!

Maar de vraag is alleen:
“Hoe groot is dat minimum mettertijd wel geworden?”
Om zogezegd “gewoon” te leven
blijken wij stilaan steeds méér dingen nodig te hebben,
die wij met steeds minder mensen willen delen
en waaraan wij op de duur zelfs verslaafd zijn geraakt.
Zo wordt iets dat oorspronkelijk “goed” was tot een “kwaad”.
Van zodra onze zeer terechte materiële zorg
overdreven proporties aanneemt,
verandert die in een hebzucht die steeds méér nodig heeft
en een prioriteit voor ons alleen wordt.
En dan gaan wij de geestelijke noden
op de tweede plaats zetten of zelfs vergeten:
de dankbaarheid voor wat wij kregen, een sobere eenvoud,
mededeelzaamheid.
“De mens leeft niet van brood alleen!” zegt Jezus.

Hebben wij de dingen die wij de laatste tijd
voor onszelf aan het verzamelen zijn, echt nodig om gelukkig te zijn?
Zo ja. Goed dan! Laten wij ze maar goed gebruiken.
Zo niet, dan doen wij ze best zo vlug mogelijk, als ballast, van de hand.

De tweede bekoring is de bekoring van de magie,
waarbij wij God gebruiken voor eigen voordeel.
Het is begrijpelijk dat wij vertrouwen op Gods bescherming
en zeggen “God zal mij wel helpen!” En wij hebben weer groot gelijk.

Alleen kunnen wij hier zodanig overdrijven
dat ons geloof verglijdt tot een soort magie,
wanneer wij namelijk Gods bescherming voor onszelf gaan opeisen:
“Vermits ik zoveel voor U doe, God, moet Gij nu toch wel eens
een spectaculair mirakel doen voor mij!”
Zo wordt zelfs onze geloofsbeleving “een kwaad”.
Als wij niet oppassen, dan verandert ons vertrouwen in God
in een opeisen van Zijn bescherming.
Echt geloof stelt echter nooit eisen aan God,
maar durft zich dagelijks opnieuw aan Hem toevertrouwen.
“Gij zult de Heer uw God nooit uitdagen!”, zegt Jezus.

De derde bekoring gaat over onze relatie met de anderen.
Tegenover onze medemensen zijn macht en eer heel noodzakelijk.
“Macht is toch onontbeerlijk voor de orde in onze maatschappij!”
“Wij hebben toch wel recht op een minimum aan respect
vanwege de anderen zeker!” En ook dat is weer heel waar.

Alleen blijkt, bij nader toezien,
dat wij onze macht en eer steeds maar hebben uitgebreid,
zonder te zorgen voor de macht en de eer van de anderen.
Zo wordt weer “iets goeds” tot “een kwaad”.
Als wij niet opletten, dan verandert ons verlangen naar orde en respect
in een heerszucht en een eerzucht, die niemand meer ontziet.
En dan gaan wij vergeten wat nog veel belangrijker is:
elkaar dienen in waardering en solidariteit.
“Gij zult de Heer uw God aanbidden
en geen ander macht dienen!” zegt Jezus.

Wij laten regelmatig onze macht voelen over anderen.
Wij staan dikwijls op onze eer, want wij hebben zere tenen.
Maar de vraag is telkens: bevordert dit nu
het samen-werken, het samen-leven?
Zo ja. Goed! Dan moeten wij die macht gebruiken.
Zo neen. Laten wij dan maar de tegenovergestelde methode kiezen:
de bescheiden, weerloze dienstbaarheid.

Elke bekoring is een spitsvondige mengeling van goed en kwaad.
Maar de drie fundamentele bekoringen geven ons duidelijk aan
naar welke richting wij neigen, zeker als wij onszelf laten gaan,
als wij moe zijn of zwak, kwetsbaar of eenzaam:
dan neigen wij altijd spontaan in de richting van onze zelfzucht.
Dan verlangen wij tevéél en voor onszelf alléén.
Zelfs iets dat goed is, wordt een kwaad,
telkens wanneer ons eigenbelang en onze zelfverdediging
onze uiteindelijke bedoeling of onze eerste prioriteit worden.

Het kwaad in ons heeft eigenlijk weinig varianten.
Het zijn steeds dezelfde fouten die terugkomen.
Het gevaar bestaat dat wij op de duur minder weerstand bieden
en een compromis sluiten: “Ik zal hiermee moeten leren leven!”
Maar daardoor juist groeit
de innerlijke ontevredenheid en de leegte in ons hart.
Daarom kennen wij geen echte vreugde meer.
Ons door het kwaad laten meeslepen
is eigenlijk een kinderachtige houding
van blijven steken in enkele hebberigheden
en kleine pleziertjes, zoals een verwend kind.
Reageren tegen het kwaad is een moedige stap
naar grotere, innerlijke volwassenheid.

Zo is de veertigdagentijd een tijd van meer helder inzicht
om de verraderlijke tactiek van het kwaad te ontmaskeren
en vooral van vernieuwde, vindingrijke weerbaarheid.
Wie niet kritisch oppast, wordt misleid.
Wie niet weerstaat, wordt meegesleurd.

En de drie bekoringen van het evangelie
duiden ons ook aan waar wij die strijd zullen moeten leveren:
nl. op het domein van onze fundamentele relaties:
méér met God verbonden leven, méér solidair met elkaar
en vrijer tegenover de dingen die ons worden gegund.

Daarom proberen wij tijdens deze veertigdagentijd:
tegenover God minder eisen te stellen,
maar Hem uitdrukkelijk te danken voor het leven, dus te bidden;
de dingen die ons ter beschikking staan, minder te grijpen,
wij gaan ze meer delen, broederlijk delen;
de medemensen met wie wij omgaan
niet proberen te domineren, te overheersen;
wij gaan integendeel de zwakkeren meer beschermen.
Dat is echt vasten:
méér danken, méér delen en méér dienen dan wij al doen.
En vanuit die innerlijke vernieuwing
zullen wij tijdens de volgende weken wel ontdekken
hoe wij ons leven uiterlijk het best gaan reorganiseren,
met welke prioriteiten en met welke beperkingen.

Zoeken in Preken Online