Inleiding
In het intredelied zongen we: ‘Wanneer mijn dienaar Mij aanroept, geef Ik gehoor.’ Dit vers is genomen uit psalm 90. ‘Hij roept Mij en Ik verhoor hem.’ Roepen en gehoord worden sluiten naadloos bij elkaar aan. Het wordt gezegd van een dienaar, van een gelovige in het Oude Verbond, en is door de Kerk Jezus in de mond gelegd. De Kerk legt het elk mensenkind in de mond, dat door het doopsel kind van God is geworden. We hoeven maar te roepen en we worden verhoord. Er gebeurt met het kind van God wat er met elk mensenkind gebeurt: wanneer het tot zijn ouders roept, dan wordt het meteen verhoord. De ouders schieten meteen te hulp. Als een Godskind in nood is, hoeft het maar te roepen en meteen krijgt het de hulp waarom het vraagt. Dat het zo is tussen God en de mensen, dat is ons geloof. In dat geloof moeten wij steeds weer opnieuw worden bevestigd, onszelf laten bevestigen, en dat doen we vandaag, op deze eerste zondag van de Veertigdagentijd, met het gebruikelijke ritueel van de zondagsviering: de wijding van het water en de besprenkeling daarmee, ter herinnering aan ons doopsel. Toen zijn wij kind van God geworden en voorzien van de heilige Geest, die ons in onze nood doet roepen tot God. Dan zullen wij worden verhoord, steeds weer.
Homilie
“In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd." Door de Geest? Welke geest? De heilige Geest! Dezelfde Geest die Jezus bij de Jordaan ontving. “Toen
ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante
van een duif en over Hem komen; en een stem uit de hemel sprak: Dit is
mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb” (Mt 3,16.17). Dezelfde Geest die God Adam, zoals we zo-even in de eerste lezing hoorden, in de neus blies.“In het begin boetseerde God de Heer de mens uit stof, van de aarde
genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een
levend wezen.” De dieren hadden ook een geest gekregen, maar
anders dan de mens: een wereld-geest of een aarde-geest. De mens werd
door de ingeblazen adem van God een levend wezen, bezield met het leven
van God, het eeuwige leven. Hij werd geschapen voor de
onsterfelijkheid. De eerste adem van Adam was Gods adem, Gods heilige
Geest. Daardoor kan de mens alles alleen beleven in verbondenheid met
God. In de schoonheid van de schepping zag, smaakte en ervoer hij de
schoonheid van God. In de goedheid van de ander ontving hij de goedheid
van God. Adam was wat we zouden kunnen noemen de eerste contemplatief
van de mensheidsgeschiedenis. Hij schouwde God in alle dingen. Hij
genoot de aanwezigheid van God in de schepping. Hij had geen Kerk
nodig, heel de schepping was tempel van God. Hij was ook nooit
verstrooid in het gebed, of sterker nog, hij hoefde niet te bidden, hij
bad altijd. Hij was altijd in gebed, alles was voor hem gebed, alles
werd voor hem aanleiding om zijn hart te verheffen tot God. Hij wás
gebed.
Gebed, bidden, gebeden verrichten, eredienst, naar de
Kerk gaan, dat veronderstelt allemaal iets van een tweeheid, van een
verdeeldheid. Die verdeeldheid, die gebrokenheid, is gekomen door de
zondeval. Het beter weten, de eigen wijsheid in plaats van de wijsheid
van de liefde, de slangensluwheid, met als inzet: aan God gelijk willen
zijn. “Als ge eet van die boom, zult ge gelijk worden aan God door de kennis van goed en kwaad.” Eva
overdacht bij het bekoorlijk influisteren van de dwarsgeest, hoe
aantrekkelijk het was om door het eten van de boom inzicht te krijgen,
inzicht door het zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Dat is eigenlijk
de inzet van het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Niet
aannemen dat er een absoluut onderscheid is tussen goed en kwaad, dat
daar niet mee valt te marchanderen, dat je geen compromissen kunt
sluiten, en dat je dat niet in eigen hand hebt. Dat het onderscheid
tussen goed en kwaad even absoluut is als God en dat het dus
afhankelijk is van een instantie buiten en boven de mens. Daarom kan
men niet naar eigen believen beschikken over goed en kwaad en het niet
zo maar naar eigen hand zetten.
Eva bezweek voor de bekoring,
want ze was alleen. Het gesprek speelt zich af tussen de vrouw en de
slang, niet tussen de man en de vrouw aan de ene kant en de slang aan
de andere kant. Samen zouden ze sterk zijn. Man en vrouw samen zijn
onoverwinnelijk. Dat wist de slang en daarom probeert hij de vrouw
alleen te spreken. Alleen ben je als mens zwak, onvolkomen, is je
immuunsysteem niet opgewassen tegen de bekoringen van de duivel. Het is
daarom ook niet goed voor de mens om alleen te zijn, zegt God. In de
eenzaamheid, in het alleen zijn, gaat de mens zich illusies maken. Hij
wordt door verkeerde geesten op het verkeerde been gezet. En als dat
toen al was, toen er nog niet zo’n ontvankelijkheid was voor de
verkeerde geest, toen het immuunsysteem van de mens voor het goede en
het slechte nog sterk was, hoeveel te meer dan nu, nu de mens niet meer
immuun is, maar juist in hoge mate vatbaar voor de inblazingen van de
verkeerde geest.
Vanaf het moment dat Adam en Eva beiden
hadden toegegeven, beiden hadden gegeten van de boom van kennis van
goed en kwaad, werd de heilige Geest van Godzucht en gedrevenheid, de
drift naar God toe, de geestdrift, omgedraaid in zelfzucht. De mens is
aan zichzelf verkleefd geworden. Hij valt terug op zichzelf, zoekt
zichzelf met even grote kracht waarmee hij eertijds God heeft gezocht
en gevonden. Maar God heeft hem niet aan die zelfzucht, die tenslotte
zou uitlopen op de dood, uitgeleverd; Hij is hem met alle hulp tegemoet
gesneld, zoals we vandaag in het vierde eucharistische gebed zullen
bidden: ‘Zodat wie U zoeken wil, U reeds heeft gevonden.’ Hij hoeft
maar te roepen, hebben we aan het begin van de eucharistieviering
gezongen en gebeden, en hij wordt verhoord.
God heeft een
nieuw begin gemaakt in de oude schepping, in het uitverkoren volk en in
Jezus, in wie heel het uitverkoren volk is samengebracht. Jezus, de
eigen en enige Zoon van God, die mens is zoals wij, aan dezelfde
bekoringen blootgesteld is als wij, maar niet in de zonde. Hij is aan
de bekoringen niet bezweken zoals de eerste Adam. Elke strijd die Hij
voert, loopt uit op een klinkende overwinning. Dat is de blijdschap van
de Veertigdagentijd, waarin wij ons zwak maken zoals Jezus in de
woestijn, maar ons laten leiden door de heilige Geest, waardoor we niet
bezwijken, maar overwinnen. Het is een tijd van strijd met open vizier,
de vijand tegemoet in de kracht van Gods Geest. Als wij voeling houden
met díe kracht, dan wordt de schepping weer heel, dan krijgen we een
nieuwe schepping. Dat is wat wij geloven en dat willen wij nu
uitspreken in de Geloofsbelijdenis.