DE VROUW
Een slang meldt zich bij de mens. Vlijend richt zij zich tot de vrouw: ‘Heeft God je echt verboden om te genieten van al dat mooie fruit?’ De aandacht wordt op de vruchten gericht. Wat voor vruchten? Wie is die slang eigenlijk? En wie is die mens?
Veel vragen. Is de slang de bode van Moeder aarde? Heeft de vrucht iets te maken met heidense offers?
In elk geval stamt het verhaal uit een tijd waarin de vrouw het voor het zeggen had. Als iemand ergens aanklopte, stond de vrouw hem te woord. Zij onderhield de communicatie met de buitenwereld. En ze deed dat niet slecht. Ze verdedigde God. ‘Natuurlijk mogen we van de vruchten eten, alleen die ene niet…’, zegt ze.
DE VRUCHT
De lezer weet nog steeds niet om welke vrucht het gaat. Zou de toehoorder in de oudheid hier gegniffeld hebben om de dubbelzinnigheid? Het eten van een vrucht was soms een sjieke omschrijving van geslachtsverkeer. En dat is een heikel thema als het om de eerste mensen gaat. Het riekt naar incest. Of zou men aan een druif hebben gedacht? Toen de Hebreeën in Kanaän gingen wonen, vonden ze er een wijnbouwcultuur. De druiventeelt was omgeven met Kanaänitische vruchtbaarheidsrituelen. Het hangen van bronzen slangetjes in de wijngaard was daar een van. Om welke vrucht het ook gaat, het is niet de appel van Sneeuwwitje, die schilders ervan hebben gemaakt.
DE MAN
De vrouw verdedigt God: ‘Alleen die ene boom is ons verboden’, en nu valt het volle licht van de schijnwerper op die verboden vrucht. De vrouw en de slang kijken ernaar. Ze wordt met de minuut mooier en lekkerder. Tenslotte laat Eva zich overhalen om ervan te eten. Het is duidelijk dat de vrouw sterker is dan de man. De man heeft geen overredingskracht nodig. Hij pakt gewoon de vrucht en eet.
Het verhaal van ‘de mens’ begint met een overtreding. Het is niet de overtreding van de vrouw maar van de mens. Van de twee is de vrouw de sterkste. Dat zij het eerst valt komt omdat het verhaal in een vrouwvriendelijke tijd is ontstaan. Dadelijk baart ze kinderen. Na de geboorte geeft de vrouw hun een naam. Kaïn en Abel. Uit het feit dat zij de naam geeft, blijkt eens te meer dat het verhaal stamt uit een periode waarin de vrouw domineerde. Dat mannelijke theologen later de vrouw ervan beschuldigden het kwaad in de wereld te hebben gebracht, is erg laf.
DE ZONDE
Adam betekent ‘mens’. Het verhaal van Adam, de mens, is het verhaal van ons allemaal. Adam is Elckerlyc. Elckerlyc is geneigd om wat vandaag lekker is, te kiezen boven wat op den lange duur goed is. Dat is de kern van het verhaal. De mens maakt dikwijls keuzes waarbij hij zich laat leiden door het kortstondig genot. Daarvoor offert hij wat goed is op den duur. De lekkere vrucht wint het van het hemels ideaal.
Ik zie Adam met zijn auto door de natuur scheuren om ervan te genieten. Ik zie hem in een vliegtuig onderweg naar een welverdiende vakantie. In zijn achterhoofd wordt hij geplaagd door de gedachte dat de natuur kreunt onder de uitlaatgassen, dat de aarde de miljarden mensen nauwelijks kan voeden, dat de groei van de welvaart alle grondstoffen dreigt uit te putten, maar wat vandaag lekker is dat laten we toch niet staan! Onze welvaartscultuur lijkt het genieten van de aangeboden vruchten als enige ideaal hoog te houden. Het lijkt erop dat we verleerd hebben om ‘nee’ te zeggen tegen korte-termijn-genoegens en dat we verdringen wat goed is voor de schepping. De stem van de kerk fluistert in de marge. Ze zegt: probeer nog eens te vasten. Probeer nog eens een poosje nee te zeggen tegen een sigaret, tegen alcohol, tegen een snoepreisje. Ervaar eens wat het is om arm te zijn. Leg iets opzij voor kinderen in Bangladesh of ten behoeve van een waterput in Afrika. Een mens leeft niet van brood alleen. Een wereld die gerechtigheid doet is meer waard dan dat ik het een uurtje naar mijn zin heb.
SCHATKIST
Lieve kinderen. Bas zat bij Kevin voor het raam naar de wolken te kijken. ‘Weet je wat?’ zei Kevin, ‘we gaan naar de zolder!’ Bas haalde de schouders op. Hij vond het best. Op de bovenloop maakte Kevin een sprongetje en ving een wit koordje op. Hij begon te trekken en een stuk plafond kwam omlaag met een ladder eraan! Kevin schoof de ladder naar beneden. Toen liepen ze over een krakende, piepende trap de zolder op. ‘Mag je dat?’ vroeg Bas. De zolder rook muf. Het was donker. In de hoek lag een opgerold tapijt. Op de vloer lagen dingetjes waarvan Bas liever niet wist of het dode vliegjes waren of muizenkeuteltjes. ‘Kijk!’ zei Kevin dat is de schatkist. Ze liepen naar een zwarte kist. ‘Die is van pappa!’ Kevin peuterde wat aan het slot. ‘Mag je daarin?’ vroeg Bas. ‘Natuurlijk niet!’, zei Kevin. Dat zijn pappa’s geheimen. Bas kreeg het benauwd. ‘Kom, we gaan naar beneden.’ Daar wilde Kevin niets van weten. Het hangslot kreeg hij niet open, maar de punt van de deksel ging toch een aardig eind omhoog. Hij durfde er zijn arm niet in te steken, stel je voor dat er een rat in zat! ‘Als ik de deksel omhoog trek, dan steek jij je arm erin!’ Kevin wachtte niet op antwoord. Hij trok als een paard en er gaapte een groot gat op de hoek van de kist en Bas stak er zijn hand tot aan de elleboog erin. Kevin huiverde. De wind rammelde aan de dakpannen. Ineens gaf Bas een akelige gil van pijn. Met een ruk trok hij zijn hand uit de kist. Hij was lijkbleek. Aan zij vinger bungelde een muizenval.