De vijfde eeuw na Christus was een fascinerende tijd. Het leek wel een
beetje op onze tijd. De landen rond de Middellandse zee tot aan de
Noordzee en de Zwarte zee maakten deel uit van het Romeinse imperium,
maar die hegemonie was niet meer vanzelfsprekend. Allerlei culturen en
religies doordesemden het rijk. Aan de randen werd geknabbeld. Er
heerste pessimisme, een gevoel van onbehagen en teloorgang over de
situatie van de Romeinse cultuur. Een atmosfeer dat de samenleving te
weinig levenskracht en vitaliteit meer bezat. In die tijd was het
christendom in opkomst. In die tijd leefde Augustinus. Hij wordt wel de
’eerste moderne mens’ .genoemd vanwege zijn autobiografische werk
“Belijdenissen” uit 397. Het is de eerste autobiografie in de westerse
geschiedenis. Augustinus geeft blijkt van een scherp inzicht in de
menselijke ziel, in zijn eigen motieven, en ging onomwonden in op zijn
zwakheden en twijfels.
De beroemdste woorden uit de ‘Belijdenissen’ luiden: ‘Gij hebt ons tot
U geschapen, en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.
(‘Fecisti nos ad Te est inquietum est cor nostrum, donec requiescat in
Te.’). Maar ik wil een ander woord citeren: “Veel te laat heb ik U lief
gekregen, 0 schoonheid zo oud en toch zo nieuw. Veel te laat heb ik U
lief gekregen. Binnen in mij waart Gij en ik was buiten, en dáár zocht
ik U. Lelijk als ik was, stortte ik mij op de mooie dingen die Gij
gemaakt hebt. Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U! Die dingen
hielden mij ver van U verwijderd; en toch zouden ze niet bestaan als ze
niet in U bestonden. Toen hebt Gij geroepen en geschreeuwd en mijn
hoofd doorbroken. Geschitterd en gestraald hebt Gij en mijn blindheid
verjaagd. Een heerlijke geur hebt Gij verspreid; en
diep ademde ik die in en nu snak ik naar U. Ik heb U geproefd en
sindsdien dorst en honger ik naar U. Gij hebt mijn hart geraakt, en het
is ontvlamd in verlangen naar Uw vrede.” Belijdenissen, boek tien,
XVII, 38)
Een bekend verhaal gaat dat God bij de schepping van de wereld een vonk
van zichzelf in de schepping wilde leggen. Maar waar moest die dan
komen? Op een plaats waar de mensen ze zouden kunnen vinden. Dus niet
op de bodem van de oceaan of op de toppen van de Himalaya. Maar het
mocht ook weer niet te gemakkelijk worden om ze te vinden. Want, zo
dacht God, wat te gemakkelijk te vinden is, wat voor het grijpen ligt,
wordt niet op waarde geschat door mensen. Daarom legde Hij zijn
goddelijke vonk in het hart van ieder mens. Op die manier zouden de
mensen ze altijd met zich meedragen. En zo gebeurde het.
Maar God wist dat de mensen zijn vonk niet gemakkelijk zouden
herkennen. Want ze zijn geschapen met onrust in hun hart. Ze kijken
naar buiten, naar wat is achter de horizon. Ze kijken weinig in hun
eigen hart. Ze lopen aan zichzelf voorbij. Ze verliezen zich in de
drukte en het lawaai van de wereld, in de dagelijkse zorgen en
beslommeringen. Terwijl je die vonk van God maar kunt zien en voelen
als je de stilte opzoekt. Als je ook je eigen innerlijke lawaai stil
kunt leggen en tot op de bodem van je hart kunt afdalen.
Dichtbij dus is de vonk, in ons eigen hart, maar toch moeilijk te
vinden. Dat wist Paulus ook al, toen hij in zijn brief aan de Romeinen
schreef dat de Geest in stilte in ons spreekt met onuitsprekelijke
verzuchtingen. En ook Augustinus wist van wanten, toen hij ontdekte dat
God hem intiemer was dan zijn eigen intimiteit. Hoe is het mogelijk,
zegt hij in zijn Belijdenissen, Gij God waart binnen en ik was buiten.
Gij in mij, maar ik verloren in de drukte, buiten mijzelf, in het
lawaai van de wereld.
De Geest van God is met het diepste van onszelf verweven. Hij ademt
onze adem. De heilige Geest: dat is God van de binnenkant. De Geest die
in ons binnenste de goddelijke vonk aanwakkert en laat ontvlammen. Die
Geest heeft ook de twaalf apostelen beademd. En dat hadden ze ook
nodig. Hoe ontredderd waren ze niet na de verrijzenis, angstig en
verkrampt, happend naar lucht, gebarricadeerd in zichzelf,
onbereikbaar, gevangen in het trauma van Jezus’ dood. Hoe bang waren ze
niet voor wat er kon gebeuren, hoe afwezig was het vertrouwen, hoe
klein en wankelbaar hun verrijzenisgeloof. Maar toch, de Geest heeft
hen aangeblazen. Want de Geest is het licht in ieder mensenhart. Hij is
de trooster, ook van jou en mij. De aangename gast van je ziel.
Verkwikking. Rustpunt als je
uitgeput bent. Beschutting tegen de hitte van de zon. Balsem voor je
gewonde ziel. En dat bedenk ik niet ter plaatse; het zijn de woorden
van het Veni sancte Spiritus van Pinksteren.
Ook de leerlingen van Jezus zijn aangeraakt, moedig en sterk plotsklaps
temidden van de menigte op het tempel plein. Met vertrouwen en
enthousiasme waartegen geen taalbarrière bestand is. De schuchtere
goddelijke vonk in het diepste van hun ziel is een uitslaande brand
geworden. Vurige tongen zetten zich op hen neer. Zij spreken met een
heilig vuur. Dat is Pinksteren, de Geest die de vonk van het
godsverlangen in ons aanwakkert. Die je de kracht van de overtuiging
geeft. Europese christenen van vandaag lijken meer op de apostelen
vóórde Geest over hen kwam, dan op de twaalf die het tempelplein
oprenden om temidden van de mensen gloedvol hun verhaal te doen. Hoe
komt dat nu?
Het was zeker de ervaring van het moment die de leerlingen deed
ontbranden. De ervaring van vergeving, van het plotseling doorgebroken
inzicht, de totale omkering van vertwijfeling naar zekerheid. Van
Godsverlatenheid naar Godsvervuldheid.
Kennen wij die ervaring? Heb je hem meegemaakt in je leven? En als je
hem kent, is het dan vandaag nog een levende ervaring? En komen we
ermee voor de dag? Of willen we beleefd blijven en onze mening niet
opdringen.
We zijn toch zo voorkomend en tolerant in die pluralistische
maatschappij van ons. We buigen voor wie een andere overtuiging is
toegedaan en willen vooral niemand voor het hoofd stoten. Uiteraard
moeten wij iedereen respecteren in hun overtuiging. Maar maken we het
ons niet wat gemakkelijk? Is er ook niet identiteitsschaamte mee
gemoeid? Is de vlam er wel, of zijn we even ontgeest als de hele
samenleving? We kunnen misschien van Augustinus leren. De volheid van
het hart is het werk van de Geest. Alleen als hij ons verkilde hart
verwarmt, als hij onze stramheid soepel maakt, als hij onze dorheid
bevloeit, als hij de gids is op onze levensweg, als hij ons zijn zeven
gaven meedeelt, dan zal ons hart volstromen en zal onze mond overlopen.
Maar dat kan alleen als je openstaat voor de stilte, voor de inkeer, om
de goddelijke vonk te ontdekken. Als je de binnenkamer van je ziel
binnengaat en het uithoudt. En dat is geen monopolie van de monniken.
Je kan ook stilte zoeken in je eigen leven. Waar is de vonk in mij die
een brand kan worden? Kom, Heilige Geest. Kom, Trooster. Kom, volheid.
U heb ik geproefd, U hebt mij geraakt (2005)
A-cyclus · Paastijd · Pinksteren · rood