Paaszondag – jaar A

A-cyclus · Paastijd · Paaszondag · wit

**Emmaüs: Christus ontdekken **

“En hun ogen werden geopend, en zij herkenden Christus!”

Broeders en zusters in de Here,

Christus is waarlijk opgestaan! Dat is dé allerbelangrijkste boodschap van de wereld. Christus is opgestaan! En toch is die boodschap nog helemaal niet zo gemakkelijk te bevatten. De boodschap dat Christus leeft: Hij is de Levende en Hij is onder ons, en door het geloof woont Hij zelfs in ons. We mogen in gemeenschap met de opgestane Christus leven. Dat is echt waar. En toch kunnen je ogen daar wel eens voor gesloten zijn. Dan merk je het niet op. Dan denk je er niet aan. Dan heb je Christus misschien wel opgesloten in het verleden: toen en daar is Hij gekruisigd en opgestaan. Misschien sluiten we om zo te zeggen Christus ook wel eens op in de hemel: daar zit Hij aan Gods rechterhand in heerlijkheid. En dat is natuurlijk allebei waar, en het is geweldig. Maar er is meer: Christus is hier, onder ons, in ons. Hij is de Levende. En dankzij de Geest van Christus mogen we in gemeenschap met Hem leven. Ook dat is Christus’ heerlijkheid. Het is de eer van Gods Zoon dat Hij leeft in Gods kinderen.

Maar toch, het verhaal van de Emmaüsgangers maakt duidelijk dat dat allemaal niet zo vanzelfsprekend is. Dat je Christus kent als de Levende, opgestaan uit de doden omdat het van lijden tot heerlijkheid moest gaan. Het verhaal van de Emmaüsgangers wil ons dat leren. En weet u wat ik zo mooi vindt aan dat verhaal? Dat het allemaal gebeurt in zo’n ongelooflijk gewone setting, zo herkenbaar. Het gaat over twee mannen. Ze wandelen samen op naar de plaats van bestemming. Ze praten met elkaar, ze discussiëren, ze verschillen van mening. En even later komen ze thuis, en daar vindt een maaltijd plaats. Het is allemaal zo het gewone leven zoals wij dat ook kennen. We praten met elkaar, we wandelen, we eten, we zijn onderweg, we hebben onze meningsverschillen. Nou, midden in die gewone werkelijkheid openbaart Christus zich als de Levende, de Verheerlijkte Zoon van God.

Het verhaal wordt, zo zou je kunnen zeggen, in geuren en kleuren verteld. Het is een eenvoudig verhaal, maar wat opvalt is het oog voor het detail. Neem bijvoorbeeld vers 17: ‘Zij bleven met somber gelaat staan.’ Het lijkt bijna een overbodige opmerking. ‘Ze bleven staan’, dat zou al voldoende geweest zijn. Maar nee, de evangelist Lukas geeft kleur aan het verhaal. Hij noteert ook die details die historisch gezien misschien helemaal niet zo belangrijk zijn, maar die het verhaal wel gezicht geven, herkenbaar maken. ‘Zij bleven staan met somber gelaat.’ En deze zin: ‘Ook hebben enige vrouwen ons doen ontstellen.’ Niet: ze hebben iets verteld. Nee, ze hebben ons doen ontstellen. Ze zijn zich wezenloos geschrokken toen ze de vrouwen hoorden praten over het lege graf. Veel oog voor het detail dus bij de schrijver van het evangelie. Sommigen beweren dan ook dat de tweede Emmaüsganger Lukas zelf was. Want we kennen maar één naam: Kleopas. Aan de andere worden we niet voorgesteld. Misschien was het Lukas zelf wel.

Hoe dan ook, middenin de concrete alledaagsheid van een wandeling die uitloopt op een maaltijd thuis, openbaart Christus Zich als de Levende. Maar dat gebeurt niet in één klap. Dat had natuurlijk best gekund. De Here Jezus had ook bij de twee mannen kunnen komen lopen om direct met de deur in huis te vallen: ‘Ik ben het, Christus, Ik ben opgestaan.’ Maar dat gebeurt dus niet. Er zit in het gebeuren een bepaalde beweging, een bepaalde dynamiek. Je kunt om zo te zeggen fases onderscheiden. Want echt, voor de heerlijkheid van de levende Christus, daarvoor moeten je de ogen langzamerhand geopend worden. Daar hebben mensen tijd voor nodig.

Zo gaan we luisteren naar de geschiedenis van de Emmaüsgangers. We wandelen als het ware samen met hen op. Het thema van de preek is: Christus leeft! En we staan stil bij 1. de ontkenning, 2. de ontmoeting, 3. de ontdekking. Dat zijn de drie fases waarin het komt tot het moment waarop de ogen open gaan voor Christus die leeft: ontkenning, ontmoeting, ontdekking.


Christenen: mensen van de weg, van vraagteken naar uitroepteken

Derde paaszondag, 13-14 april 2002

Dagelijks overspoelen de media ons met berichten over geweld: de oorlog tegen het terrorisme in Afghanistan, joden en Palestijnen in Israël, een aanslag tegen de regering van Berlusconi. In godsnaam, waarom toch al dat zinloos geweld?

Hongersnood, aids, rampen, zoveel slachtoffers. God, waarom toch? Iemand uit onze familie- of vriendenkring, die ons zo dierbaar was, is te vroeg van ons heengegaan door een ongeval, door kanker, door een plotse hartaanval. God toch, waarom moest deze mens nu al sterven?

Ja, waar is God nu? Dat moeten de apostelen ook gedacht hebben toen Jezus gekruisigd werd. Ze leefden in de hoop dat Jezus Israël zou verlossen, maar nu hadden ze een bedrukt gezicht, ze voelden zich bedrogen. De leerlingen gingen ontgoocheld naar huis terug, weg van dat Jeruzalem, dat de profeten doodt. Veel vragen bleven onbeantwoord. Was Jezus dan niet de Zoon van God? Was Hij niet de verwachte Messias? Alles lijkt voorbij. Jezus is dood. Amen en uit.

Een leraar vroeg ooit aan de leerlingen in de klas: “Wat is het teken van de christenen?” Een jongen stak zijn vinger op en antwoordde prompt: “Het vraagteken, meneer.” De leraar hoopte natuurlijk te horen: ‘het kruisteken’, maar het antwoord van de leerling geeft ons te denken. Het kruisteken roept inderdaad veel vragen op. Waarom moest Jezus aan het kruis eindigen? Heeft de dood het laatste woord?

Neen! God, de Vader laat ons niet in de steek. Hij heeft Jezus uit de dood weggehaald. Op Pasen heeft de Vader achter het leven en de dood van Zijn Zoon een groot uitroepteken geplaatst. Zijn weg van liefde, tot het uiterste getoond op het kruis, die weg loopt niet dood, maar door!

De leerlingen hebben daar een bijzondere ervaring van gehad, ze hebben Jezus als de Levende ervaren. Dat was niet evident. Het geloof van de leerlingen had tijd nodig om te groeien. In het begin geloofden ze niet in de verrijzenis. Ze dachten dat het vrouwenpraat was, iets wat hen alleen maar in de war bracht. Ook vorige week hoorden we hoe Thomas groeide in zijn geloof en tot de belijdenis kwam: “Mijn Heer en mijn God.” Dit mag een troost zijn voor ons. Het verrijzenisgeloof is niet vanzelfsprekend, we moeten daarin groeien en elkaar steunen.

Men noemt christenen wel eens “mensen van de weg” (Hnd.9,2). Geloven is niet iets wat je bezit voor eens en altijd. Je leert gaandeweg geloven, geloof heeft tijd nodig om te groeien, het is een weg van twijfel naar vertrouwen, van vraagtekens naar een uitroepteken, een weg doorheen de woestijn van de veertigdagentijd, onder het kruis van Goede Vrijdag, twijfelend op Stille Zaterdag, en uitlopend op een vijftigdagentijd van Pasen naar Pinksteren. Het is niet één dag Pasen, het is vijftig dagen leren geloven in de verrijzenis.

Allemaal goed en wel, maar waar zien wij die Levende Christus nu nog in ons midden aanwezig? Hij loopt hier toch niet rond? Het evangelie van vandaag geeft ons een antwoord op deze vraag. De Verrezene komt bij de twee Emmaüsgangers en loopt met hen mee, maar deze twee herkennen Jezus niet. Hij is een vreemde voor hen. Hoe zou het ook anders kunnen, Hij was toch dood?!

Die vreemdeling beluistert het verhaal en de vragen van de leerlingen en dan neemt Hij het woord, Hij probeert de ogen van de leerlingen te openen voor Gods boodschap in de Schriften, in de Bijbel. Zij zullen daar onderweg boeiend over gediscussieerd hebben. ’t Was zelfs zo interessant dat de leerlingen aandrongen: “Blijf bij ons.” Het is een eerste aanwijzing dat de leerlingen loskomen uit hun ontgoocheling en hun ongeloof. De vreemdeling heeft iets in hen wakker gemaakt: de behoefte aan een bevrijdend woord, aan een nieuwe toekomst.

Hoe vaak zitten ook wij daar niet op te wachten! We zitten vaak vast, gevangen in onmacht, in angst voor examens, in spanning voor onze job, in verdriet om een gestorvene. We willen zo graag bevrijd worden. We hebben verlossing nodig. De woorden van God brengen die bevrijding. Ze leren ons dat God liefde is en oneindig van ons houdt, Hij wil zelfs zijn eigen leven voor ons geven.

En nu gebeurt het! Wat begon als een gewoon bezoek, een toevallige ontmoeting, leidt spoedig tot een gelovige doorbraak. De vreemdeling neemt het brood, spreekt een zegenbede en reikt het hen toe…, en de ogen van de leerlingen gaan open. In dat blijvende gebaar van Jezus, die zich geeft in de eucharistie, herkennen de leerlingen de Verrezene. Hun ogen gaan open, hun hart brandt opnieuw.

In een bemoedigend gesprek, in een vreemdeling, in onze naaste, in de gelovige lezing en de meditatie van de Schrift en in de viering van de eucharistie, komt Christus telkens weer in ons midden aanwezig als de Levende Heer. Door Woord en Brood zet Jezus ons hart in lichterlaaie en opent Hij onze ogen: “De Heer is werkelijk verrezen!” De Heer leeft, Hij is bij ons, altijd, vooral in de eucharistie.

We hebben geen antwoord op al onze vragen rond leven en dood, maar we mogen erop vertrouwen dat God aan onze kant staat en ons vraagteken verandert in een uitroepteken. God is bij ons en doet ons opstaan uit onze angst, uit onze onmacht en zelfs uit onze dood. Hij is een Scheppende en Bevrijdende God en zijn weg van Liefde loopt nooit dood, maar loopt door, zelfs doorheen de dood. Laten ook wij dan met vertrouwen vragen: “Heer, blijf bij ons.”

Emmanuel Van Lierde


CHRISTEN WORDEN MET DE EMMAÜSGANGERS

Twee mensen zijn op weg naar huis en zij praten over alles wat was voorgevallen. Mensen zoeken eigenlijk altijd naar de diepte van de gebeurtenissen. Zij vertellen ze aan elkaar, zelfs aan de eerste de beste vreemdeling. Hoezeer zij ook op de hoogte zijn, toch verraadt hun vertellen een vraag: ‘Wat is hier eigenlijk gebeurd met Jezus ?’ Zij zijn nog vol van Hem, Hij was ook zo groot. Maar hun opvattingen over God en dood laten niet toe het gebeuren ‘Jezus’ te verstaan. Daarom zijn zij er aanwezig ‘met een *bedrukt gezicht’. *De dood van Jezus heeft hen ook ‘dood gemaakt’. Er was een sprankeltje hoop en leven, het kwam van de vrouwen, maar…, Jezus was er niet. Ontgoocheld, bedroefd, op weg naar huis.

Jezus gaat met de twee leerlingen mee. Maar zij herkennen Hem niet. Daarmee vertaalt dit verhaal de betekenis van de verrijzenis. Verrijzenis wil zeggen: Jezus is levend aanwezig tussen mensen. Dat is de kern: ‘Hij is er’ ! En dit besef je pas als je tot geloof komt. Zoniet, dan blijft de Verrezene een vreemdeling. De opdracht waarvoor de Emmaüsgangers staan, is Zijn levende aanwezigheid ontdekken, proberen tot geloof te komen. Opvallend is dat de twee leerlingen volstrekt op de hoogte zijn, zij vertellen immers aan de vreemdeling alles wat er met Jezus gebeurd is. Wat hen ontbreekt is niet de informatie, maar het geloof en de gelovige houding.

Het punt waar de doorgroei blokkeert is de dood ! De lijdensvraag en het feit van Jezus’ dood, zijn voor de twee leerlingen niet te overstijgen. Zij hebben een prachtige herinnering aan Jezus, maar het laatste woord is de dood ! Zij verkondigen de dood ! En hier begint Jezus te spreken: ‘Moest de Messias dit alles niet lijden…*?’ *Wat betekent dit ‘moest’ ?

Jezus had zijn roeping ontdekt: houden van God en de mensen ! Welnu, dit zet Jezus voort, ook in zijn lijdenssituatie. Hij maakt van het lijden een zaak van liefde, Hij blijft trouw aan zijn roeping ! Hij blijft dienstbaar !

Wellicht is dit de grootste levensvraag waarmee mensen moeten klaar komen. Hier ligt ook de grootste uitdaging verborgen van het christendom. Het is een genade dit te begrijpen, te aanvaarden en te kunnen beleven.

Hoe kom je tot geloof ? Hoe ontdek je de aanwezigheid van de Verrezene ? Het Emmaüsverhaal geeft drie tekenen. Eerst is er de uitleg van de Schrift. Het verstaan van de Schriften doet de harten branden. In de Schrift ontdek je niet alleen een boodschap en een woord om van te leven, maar ook Jezus zelf. Je leert Hem kennen en begrijpen. De Schrift is de middelaar tussen het leven van de mens en Jezus Christus. Trouwens, ook voor wie vandaag de Schrift leest, begint zijn hart te branden.

Het tweede teken is de gastvrijheid. Het uitnodigen van Jezus, een liefdedienst stellen, mondt uit in de herkenning van Jezus. Waar mensen een liefdedienst stellen, ontmoeten ze de Verrezene. Tegelijk ontdekt de lezer dat de uitnodiging van de Emmaüsgangers klinkt als een gebed: ‘*Blijf bij ons, Heer’. *Liefdedienst en gebed horen samen.

Tenslotte is er de maaltijd. Tafelgemeenschap is steeds levensgemeenschap. Je deelt een stuk leven van de mensen met wie je aan tafel gaat. Zo mochten de twee leerlingen delen in Jezus’ verrezen leven. Tegelijk klinkt deze maaltijd als een eucharistie: daar wordt tenvolle Jezus’ aanwezigheid herkend en gevierd. Het is duidelijk dat deze drie tekens ook voor ons de weg wijzen naar de Verrezen Heer.

Zo zie je hoe geloof een brandend hart met zich meebrengt. Christenen zijn blije en gelukkige mensen. Zij zien het evangelie a.h.w. gebeuren: ‘brandde ons hart niet zoals Hij onderweg met ons sprak’.

En zo zie je ook hoe gemeenschap ontstaat: de twee leerlingen keren terug naar de elf. Zij willen met hen Kerk vormen. Zij spreken een geloofsbelijdenis uit: ‘*De Heer is waarlijk verrezen’. *Deze geloofsbelijdenis komt uit de mond van de Elf. De Emmaüsleerlingen zullen er hun ervaring aan toevoegen. Zij getuigen en ze vertellen van hun ontmoeting met de Verrezene.

Het verhaal van de Emmaüsgangers gebeurt vandaag nog. Zoekende mensen worden plots getuigende christenen. Die ommekeer is het werk van de Verrezene zelf, die van een vreemdeling, de nabije verrezen Heer wordt. Wij wensen deze ‘ommekeer’ alle mensen toe.

Bron: Jaak Janssen


DE EMMAÜSGANGERS

Het Emmaüsverhaal schildert op een prachtige wijze de geloofsgeboorte bij twee leerlingen. Heel de dynamiek van het verhaal is erop gericht dit geloofsontstaan weer te geven. Het schildert namelijk een beweging van ongeloof naar geloof toe, via de weg van niet-herkenning naar herkenning toe. Voor de lezer en de toehoorder is alles van bij het begin reeds duidelijk. Hij weet immers wie de vreemdeling is. Doch dit verhaal wil de lezer duidelijk maken hoe hij tot geloof kan komen in de aanwezigheid van de Verrezene.

Het verhaal start met het naar huis keren van twee leerlingen. Zij zijn ontmoedigd en ontgoocheld. Zij hadden heel hun hoop op Jezus gesteld. Hij zou hen bevrijden. Maar Hij heeft het niet gehaald tegen de hogepriesters en de Joodse leiders. De zaak is nu voorbij. Toch houden de gebeurtenissen hen bezig. Zij praten erover. Zij discussiëren over Hem, alsof zij de betekenis ervan nog niet helemaal begrepen en ontvouwd hebben. En wat zij aan de vreemdeling vertellen, is eigenaardig genoeg de hele inhoud van het geloof: Jezus, een man, machtig in woord en daad, die gekruisigd is, zou volgens de vrouwen weer leven ! Alles is er … , behalve het geloven zelf. Zij zijn nog niet toe aan die geloofsact. Daarom herkennen ze en zien ze Hem niet. Trouwens, Jezus zal hen zeggen dat zij traag zijn in het geloven !

Toch zit hier reeds een eerste teken van het verrijzenisgeloof: Jezus interesseert zich aan het leven van de leerlingen en de mens. Hij heeft belangstelling voor wat de mens meemaakt en bezig houdt. *" Waar hebben jullie het over ? Wat maken jullie onderweg mee ? " *Jezus gaat de weg van de mens mee. Wel heeft deze weg verklaring en verdieping nodig. Dat is het initiatief dat Jezus neemt.

Wanneer immers de leerlingen hun verhaal hebben verteld, verwijst Hij hen naar de Schrift. Daar moet je de verklaring zoeken. *" Moest de Messias dat alles niet lijden ? " *Het is de centrale vraag. Die wil Hij verklaren. Zeggen de Schriften niet dat de weg van het kruis en van het lijden, wegen zijn naar heil ? Zij getuigen over hetgeen God wil: een mensenleven, dat lijdt aan de zondigheid van andere mensen, wil Hij omvormen tot een gelukkig leven. Heeft God zich niet geopenbaard als een God die verdrukte mensen bevrijdt ?

Wanneer de vreemdeling dit probeert uit te leggen, beginnen de harten van de Emmaüsgangers al te branden !

Toch neemt de vreemdeling een nieuw initiatief: hij wil verder gaan. Maar dat ervaren de leerlingen als *een appél aan hun hart: ‘Blijf bij ons !’ *Zij verlenen gastvrijheid. Zij stellen een liefdedienst.

Tenslotte komt er een derde initiatief, dat het vorige verdiept: Jezus zit de maaltijd voor. Wanneer Hij echter het brood breekt en uitdeelt, leren de Emmaüsgangers met gelovige ogen zien. Zij herkennen Jezus. Het geloof wordt geboren. Nu kan Jezus verdwijnen. Nu is zijn aanwezigheid in geloof zeker. Nu is er een nieuwe aanwezigheid. Zijn lichamelijke aanwezigheid is niet meer nodig. En we merken dat dit geloof onmiddellijk werkzaam wordt: zij keren terug, leggen getuigenis af en stichten een nieuwe geloofsgemeenschap.

Aan drie tekenen hebben zij de vreemdeling herkend:* de schriftuitleg, de liefdedienst en de maaltijd. *Maar de lezer kent deze tekenen: zij gebeuren vandaag nog. De Schrift wordt uitgelegd, de liefdedienst gebeurt nog, en de maaltijd roept de eucharistie op. Nu begrijpen we het verhaal pas volledig. Lucas wil niet alleen verhalen hoe deze twee leerlingen tot het geloof kunnen komen. Het schriftverstaan, de dienst van de liefde en de eucharistie zijn ook vandaag tekenen van Jezus’ actieve aanwezigheid in ons midden. Als wij deze tekenen meemaken, zullen ook wij getuigen: ‘*De Heer is waarlijk verrezen !’ *Wij zullen ons geroepen weten tot getuigenis en tot Kerkvorming. Dan blijft Jezus Christus geen vreemdeling, maar kunnen ook wij zeggen: ‘Hij is aan ons verschenen !’

Dit verhaal is een oproep tot broederlijke en zusterlijke *inzet, *tot gemeenschapsvorming die haar hoogtepunt bereikt in *de eucharistie. *Zo worden deze drie domeinen vindplaatsen van de levende aanwezigheid van de verrezen Christus. Ik wens het voor u !

Oud-leerlingen van de Grauwe Zusters, St.-Amand Roeselare, 19 april 1995

Bron: ‘Bijbel en Bezinning’ 1987 jaargang VI Nr. 1 p. 273-74


Homilie bij het Emmaüsverhaal

Dit evangelie-verhaal dient natuurlijk om aan latere christenen te tonen hoe onverwacht en onvoorzien de Verrijzenis van Jezus voor zijn leerlingen geweest is. Petrus had al gezegd: “Ik ga weer naar mijn visnetten”. Die twee van Emmaüs vonden ook dat ze beter terug naar hun huis, hun werk en hun vrouw terug konden gaan. En dan gebeurt dàt.

Maar het is ook het eeuwenoude verhaal van alle soorten teleurgestelde mensen die het niet meer zien zitten en je komen vertellen dat ze geen enkele mens meer durven vertrouwen. “Ik heb teveel meegemaakt, mijnheer.” En terwijl ze aan het vertellen zijn, hebben ze al 3-4 namen genoemd van mensen die hen nog wél heel nabij en dierbaar zijn. En dan probeer ik hen daar ook op te wijzen, hoeveel mensen nog echt van hen houden.

Jezus, die in het Emmaüsverhaal de twee leerlingen inhaalt en naar hun klachten luistert, doet ook zo iets: hij maakt zijn reisgenoten attent op vergeten lichtpunten, op verborgen levenskansen. “Heb je daar al aan gedacht ? Er is toch nog dat en dat…” Hij begint hun de schriften en meteen het boekje van hun eigen leven open te doen.

Eigenlijk is het doodjammer dat in het evangelie van vandaag niet staat wàt Jezus heft gezegd om die twee leerlingen van het ontmoediging te verlossen. Er staat dat Jezus aantoont hoe het allemaal van uit de bijbel te verklaren is. Ik probeer me voor te stellen, wat Hij gezegd heeft.

  1. Misschien heeft Hij gezegd: zijt ge het scheppingsverhaal vergeten, toen God licht bracht in de donkere chaos.

  2. Of het verhaal van Abraham, wiens vrouw al lang niet meer in aanmerking kwam om kinderen te krijgen. En toch zijn ze de stamouders geworden van het hele Joodse volk.

  3. Of zijt ge vergeten hoe Jozef door zijn broeders in de put zat, maar nadien in Egypte onderkoning werd.

Ik had er willen bij zijn om te horen, hoe deze Jezus die deze twee leerlingen eerst niet herkenden, hen duidelijk heeft gemaakt hoe God de wereld onderste boven keert. “Zo is het tenslotte ook met mij gebeurd,” zegt Hij dan. Ge moet niet de hele tijd zeggen: “Waar heeft die Jezus dat verdiend?” Ook voor Hem heeft God de zaken omgedraaid: dood werd leven. En Hij doet een teken, om ze te overtuigen: Hij gaat met hen aan tafel, zoals op Witte Donderdag, en zoals wij dadelijk gaan doen.

Zit in dit verhaal ook iets in voor ons? Ja, vast en zeker voor mensen die lijden onder de crisis in de Westerse kerk.

Ook voor zieke mensen, die zich ook dikwijls afvragen: waar heb ik dat verdiend? Het is een begrijpelijke vraag, maar ze is verkeerd gesteld. Het werkt allemaal zo niet in de wereld. Geloof is wél een goede remedie… vind ik tenminste.

Toen ik enkele jaren geleden - te lang naar mijn gedacht en te dikwijls - in een kliniek opgenomen werd, heb ik toen met mezelf die afspraak gemaakt : geloof in de dokter, geloof in jezelf en geloof tout court. Daar kom je al een heel eind ver mee. En hoe het dan afloopt, dat zien we dan wel" zei ik tegen mezelf.”

Mag ik U dat ook wensen: geloof in jezelf, geloof in de dokter en geloof tout court. Geloof zonder meer.

Ik wens alle mensen met pijn, met angsten en zorgen ook die Lieve Heer Jezus van het Emmaüsverhaal als onverwachte reisgezel op hun weg. Dat ze Hem nu en dan eens heel dichtbij mogen weten. Dat Hij hun nu en dan eens de ogen open trekt en zegt: “Heb je daar al aan gedacht? Er is toch nog dàt lichtpuntje in je leven en er is nog die vriendin in je leven”. Maar ze moeten dan ook willen zien en hun blinddoek willen afnemen.

Ik geloof dat zulke dingen gebeuren: dat - zoals in het Emmaüsverhaal - iemand van ons die Heer ontmoet, die hen weer op de kar trekt, en vooruit duwt en meetrekt. Misschien gebeurt het - zoals in het Emmaüsverhaal - bij het breken van het brood, het gebaar van het Laatste Avondmaal, het gebaar in het huis te Emmaüs, dat wij straks aan deze tafel zullen herhalen.


DE EMMAÜSGANGERS

Het verhaal van de leerlingen van Emmaüs is overbekend. Twee leerlingen praatten onderweg over alles wat was voorgevallen. Zij hadden op Jezus al hun hoop gesteld en Hij was uiteindelijk gekruisigd. Wel zei men, dat Hij zou verrezen zijn, maar daar konden ze blijkbaar nog geen geloof aan hechten. Zij waren ontgoocheld, want zij hadden Jezus helemaal anders gezien en begrepen. Zij hadden dingen verwacht die Hij niet wou of kon geven.

Zo gaat het ook vandaag nog bij vele mensen in hun relatie tot God. Zij stellen zich Hem voor, zoals Hij kán noch wil zijn. Zij koesteren verwachtingen die Hij niet waar zal maken. Zo worden ze in Hem ontgoocheld en keren zich van Hem af. Hun geloof was gebonden aan het beeld dat ze zich ten onrechte van Hem maakten.

Jezus ging met hen mee, maar zij herkenden Hem niet. Zo herkennen vele mensen God niet, hoe dicht Hij ook bij hen is. Zij kunnen Hem niet zien, omdat ze zich Hem zo anders voorstellen. Hun zorgen en verwachtingen slepen hen naar een heel andere godheid toe en daar waar ze Hem kunnen ontmoeten, lopen ze aan Hem voorbij. God kan hen toeroepen en hen nabij zijn, maar dat helpt niet, als ze eigenlijk iemand heel anders verwachten en zoeken.

Jezus legt hun de Schriften uit en ook dat de Mensenzoon moest lijden. Jezus spreekt over God zoals die werkelijk is. Hij legt uit wat de betekenis is van zijn woorden, zijn daden en van heel zijn leven tot de dood toe. Zo kunnen ze misschien begrijpen dat voor hen, geen triomftocht zal beginnen, maar dat ze ook zullen lijden. Wat Jezus in de wereld wil brengen, zal van hen die er zich voor inzetten, veel belangeloosheid en opoffering eisen en wellicht vervolging met zich brengen. Nu hebben zij het begrepen, zoals blijkt uit het vervolg van het verhaal. Voor ons zal het altijd moeilijk blijven, om ons, op Jezus’ woord, aan anderen te geven.

Toen deed Hij alsof Hij verder wilde gaan. Zo is het ook met God. Hij dringt zich niet aan ons op. We zijn vrije wezens en God wil of kan ons niet manipuleren. In deze wereld is God immers zeer machteloos als wij niet zelf het initiatief nemen voor ons geloof in Hem en Hem onze woorden en onze handen niet lenen.

Wel belooft Hij dat ooit alles goed zal worden op deze wereld. Maar wij hebben de indruk dat die tijd nog ver van ons verwijderd is.

De leerlingen vroegen Hem te blijven, omdat het al avond werd. Is het niet zo, dat mensen in de avond van hun leven, meer tot luisteren en begrijpen geneigd zijn ? De onzekerheid, de vele levenservaringen en de gedachte aan een naderende dood, helpen daarbij. We wensen nu werkelijk dat God ons heel nabij zou blijven.

Toen Hij voor hen het brood brak, herkenden ze Hem. Wij ook kunnen Hem het best herkennen in de eucharistie. Ze verhaalt ons de kern van het levensverhaal van Jezus. Wanneer we het eucharistisch dankgebed goed beluisteren, kunnen we ons niet vergissen in Jezus. We zullen Hem daarom in de eucharistie niet enkel in dankbaarheid herdenken. We zullen er ons ook rekenschap van geven, wat dit voor ons leven wil betekenen.

Toen Hij weg was, bekenden ze elkaar dat hun hart brandde terwijl Hij tot hen gesproken had. Dat had van hen heel andere mensen gemaakt. Hun diepste noden waren voldaan, in plaats van hun oppervlakkige begeerten.

Zo zouden gelovigen ook in elkaars hart een vuur moeten kunnen ontsteken dat hun leven verandert. Velen gaan op weg om mensen te vinden die hen echt tot leven brengen. Zij kijken uit naar plaatsen waar zij hun geloof kunnen uitwisselen. Ze kijken uit naar mensen die met hen mee afdalen naar de diepten van hun bestaan. Wij zijn dikwijls te zeer voor elkaar gesloten om het te durven doen.

Zijzelf keerden terug naar Jeruzalem om te gaan vertellen wat hen overkomen was. Ze wilden hun geloof en hun geluk zo gauw mogelijk delen met vele anderen. Jezus is ook in onze ogen werkelijk goed nieuws voor de wereld. Hij brengt goed nieuws over God, goed nieuws over de mens, goed nieuws over de toekomst van de wereld. Waarom zouden we het goede nieuws verdoezelen ? We zullen het integendeel verkondigen aan elkaar en aan de velen die, zoals wijzelf, op zoek gingen, maar totnogtoe niet vonden.

Ik wens u allen het geluk, echte Emmaüsgangers te mogen zijn.

Bron: Arthur Luysterman in: ‘Kerkplein’ april 1997


DE EMMAÜSGANGERS:

HET VERHAAL VAN MENSEN ONDERWEG

Er gingen eens twee mensen van Jeruzalem naar Emmaüs. Het waren mannen die Jezus waren gevolgd. Maar nu was Hij dood. Gestorven op het kruis. Ontgoocheld gingen ze weer naar huis.

Een verhaal dat ons allemaal lief is, niet zozeer omdat wij het hebben gevierd in deze paastijd, maar vooral omdat wij er ons eigen verhaal in lezen. Een verhaal, ons verhaal, in vier schuifjes:

  1. De depressie nabij, keerden zij naar huis terug. Het was afgelopen.
  2. Maar al gaande bleven zij in gesprek met elkaar. Er werd veel duidelijk en hun hart werd warm.
  3. Zij braken met elkaar het brood en zij wisten zich samen met Christus.
  4. Doorheen de nacht ontmoeten zij elkaar, met een boodschap van HOOP !

Steeds meer mensen zijn op weg tussen Jeruzalem en Emmaüs, tussen ontmoediging en nieuwe hoop, tussen ontgoocheling en nieuwe aanpak. Daarbij is het een heel **moeizame, haast onmogelijke weg, **wanneer je die weg alleen wil gaan, nadenkend over: * je mislukking en je tegenslagen, * je ontmoediging en je ontgoochelingen. Dan loop je het gevaar totaal in jezelf te keren, blind en doof voor elke mens die naast je mee optrekt.

Maar het kan ook een boeiende weg worden, wanneer je het aandurft met anderen onderweg erover te spreken, jouw mislukken en jouw ontgoocheling, uit te spreken. Want zulk gesprek met vrienden brengt opening in je verhaal,

  • het schept ruimte in je eigen geslotenheid,
  • het werpt licht op wat je duister leek,
  • het wekt hoop in wat zo hopeloos lijkt.

Een woord van de Blijde Boodschap wordt gesproken en komt tot leven.

Het evangelie vertelt ons inderdaad de geschiedenis van heel concrete mensen van vandaag. Je erkent er jezelf in, je horizon verruimt en veel wordt je duidelijk. Je beluistert en ziet tekenen van hoop. Je hart wordt warm en krijgt nieuwe levenskracht.

En al gaande kom je aan waar je moet zijn, want het wordt avond.

Je nodigt mekaar aan tafel, en terwijl woorden van bemoediging en hoop gesproken worden en het brood gebroken wordt, wordt het duidelijk dat de Heer met u, onderweg is. Zo houdt de Heer met u tafelgemeenschap.

Deze levenservaring, deze geloofservaring, deze tekenen van hoop, kan je niet meer voor jezelf alleen houden. Want deze zijn te sterk geworden. Je moet ze meedelen aan allen die met jou onderweg zijn. Je getuigt van wat je zelf hebt meegemaakt: de Heer is werkelijk verrezen. Hij blijft met ons mee op weg gaan.

Het verhaal van de twee Emmaüsgangers is voor ons een uitnodiging om met elkaar te blijven spreken, om het verhaal van de Levende te beluisteren, om samen tafelgemeenschap te houden en om dan weer verder met elkaar op weg te gaan.

Als je morgen naar Emmaüs moet, en onderweg komen er vragen in je hart en twijfels in je geest, of zinkt de moed jou in de schoenen, zie dan toe, wie met je meegaat op weg.

Het zal een mens zijn die eerst vreemd voor je is, misschien luistert hij.

En wanneer je hem bij jou uitnodigt om binnen te komen, zie toe of hij met jou het brood breekt. Het kan de Heer zijn, heel duidelijk, en daarna, maar weer gewoon de mens, die de weg met je gaat. Zo gebeurt het altijd weer: ‘Midden onder u, staat Hij die gij niet kent !’


DE EMMAÜSGANGERS:

Heer, blijf bij ons !!!

Het verhaal van de Emmaüsgangers zal ons blijven aanspreken, want we vinden er onszelf in terug. Het vertelt over mensen die het niet meer zagen zitten, mensen die willen vergeten en weglopen van de plaats der ontgoocheling. Wij hadden ook gedroomd… maar het is donker geworden rondom ons, duister en ondoorzichtig in ons. We hebben onze echtgenote of echtgenoot verloren, één van onze kinderen is gestorven. We hadden zo graag kinderen gehad en we kregen er geen. We hadden tegenslag in ons gezin:

  • een ziekte, kinderen die andere wegen gaan,
    • het gesprek met de partner is stil gevallen,
    • we leven aan mekaar voorbij. Ik heb soms het gevoel niet meer mee te tellen of niet gewaardeerd te worden.

We beleven eigenaardige tijden:

  • de sociale zekerheid wordt wankelbaar,
  • er is angst en onverschilligheid bij velen,
  • er is weinig persoonlijk contact en weinig liefde.

Veel waarden, waar wij ons hebben aan opgetrokken, vallen weg. Zoals de Emmaüsgangers zouden we willen vluchten, ver weg van al die problemen. Wij hadden gedroomd… maar zijn illusies rijker geworden.

We blijven echter mensen, ook terwijl wij vluchten. We kunnen niet vergeten, we kunnen niet zwijgen over hetgeen ons eenmaal werkelijk heeft begeesterd. Het zal altijd boven komen als een verlangen, een wens, een hoop. Zoveel plaatsen en toestanden roepen herinneringen op. Wanneer wij het geluk hebben iemand te ontmoeten met wie wij het kunnen en durven bespreken, is er heel veel gewonnen. Gedeelde smart is halve smart en gedeelde vreugde maakt dubbel gelukkig. Wanneer wij God in ons leven binnenlaten door gebed en stilte, wanneer wij de nodige tijd en moeite nemen om te luisteren, wanneer wij het geduld opbrengen ons door iemand de binnenkant, de dubbele bodem, de draagwijdte van de gebeurtenissen te laten verklaren, dan groeit opnieuw het vertrouwen, de moed, de kracht en de durf. Hij zal ons helpen verder te kijken, dieper te zien. Moest de Christus dat alles niet lijden ? Kijk eens naar die ontmoeting, naar dat moment, die gebeurtenis in uw leven ! Er gebeurt nog altijd veel positiefs. Er zijn nog vele edelmoedige mensen en er zijn nog vele hoopvolle tekenen.

Veel jonge mensen willen het echt proberen om goed te doen. Veel mensen brengen zware offers voor hun medemensen, leven volgens hun geweten en durven andere wegen opgaan.

Er zijn toch nog huwelijken die echt gelukkig zijn, . gezinnen die een nieuwe samenhang ontdekken, . mensen die echt graag zien zonder berekening of voordeel te zoeken. Er zijn nog altijd blije dagen met licht, warmte, echte vaders en moeders, vrienden. Er zijn nog bloemen en vogels, water en wolken, eten en drinken. Er zijn mensen die u laten voelen: gij staat niet alleen, ik wil luisteren naar uw verhaal, ik wil met u meegaan, meedragen, zoals Jezus meeging, mee luisterde en dan sprak. Misschien minder spreken, maar vooral laten voelen: ‘Ik hou van u, gij zijt mij heel veel waard, ik aanvaard u !’ ‘Brandde ons hart niet in ons zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot ?’ Zo was Jezus op hun levensweg, op onze levensweg. Hij wijst de weg, door de waarheid naar het leven. ‘Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem !’ Zij bekeerden zich werkelijk, helemaal tot Hem.

Zo zijn er vandaag nog mensen, boden en gezanten, engelen van Godswege: zij schenken vertrouwen, versterken ons zelfvertrouwen, openen de deur voor het Godsvertrouwen. Een lichtje gaat schijnen. God is niet langer de AFwezige, maar de AANwezige. Hij is er ook voor mij. Hij opent onze ogen. Hij helpt ons ongekende afmetingen ontdekken, een ander visie, bijzondere gevoeligheden, nieuwe perspectieven. Hij verbreedt onze verwachtingen, stuwt ons naar een vernieuwde aanpak. Het geloof biedt meer mogelijkheden dan degene die wij tot hiertoe vermochten te onderscheiden. Wij zien het weer zitten. We kunnen weer verder gaan.

Straks gaan we eucharistie vieren, het brood breken in zijn naam: het zeer persoonlijke gebaar met de woorden, waarin Hij samenbalde en aanwezig stelde de werkelijkheid en de gezindheid van zijn levensoffer. Zo blijft Hij er voor ons. Zo wil Hij ons betrekken in zijn levensgave, zijn liefde.

Deze Emmaüservaring kunnen wij ook vandaag nog meemaken. Daarna zullen we opstaan, de alledaagse week in, terugkeren naar de stad, getuigen, het licht aansteken in het leven van anderen, hun levensweg verlichten, met het licht dat wij ontvangen van de verrezen Heer.

Bron: CM - PASEN - 1987


EMMAUSGANGERS - Luc. 24,13-35

Het evangelie over de Emmaüsgangers is een schitterend verhaal. Laten wij er eens het onze van maken. *Hoe gaat het op onze weg ? Komen onze dromen nog uit ? *Wat moeten we daarop zeggen !

  • Onze relatie is niet slecht, maar het vuur van de eerste liefde is er toch uit. We zijn er niet tenvolle voor elkaar. Het werk en de zorg voor huis en goed, slorpen ons op.
  • En de kinderen ? Wij verstaan ze niet. Ze willen leven. Als ouders krijgen we soms te horen: ‘Jullie geven ook niet de indruk van zo gelukkig te zijn ! Toon ons hoe het kan. Naar wie kunnen wij opkijken ? Is er nog toekomst voor ons ?’
  • En wij alleenstaanden. We kunnen zogezegd doen wat we willen en wanneer we het willen. We hoeven zogezegd met niemand rekening te houden. Is onze honger naar echte menselijke relatie gestild ?
  • En wij, priesters en religieuzen. Onze boodschap is vastgelopen in woorden. Wie heeft er wat aan ? De kerkleiding is de voeling kwijt met de diep religieuze verlangens van de mensen, vooral van de jeugd.

Ons verhaal op de weg naar Emmaüs laat veel mineur klanken horen. Bedrukte gezichten, ogen die niet zien, een klaagzang ! Wie loopt met ons mee, wie spreekt ons een woord van hoop toe ?

Moeten we niet eens inkeren in onszelf, luisteren naar een stem die in ons spreekt en ons wijst op ons onverstand en traagheid van hart ? Dit is een stilstaan, een ommekeer die niemand anders voor ons kan doen. Wat zich afspeelt in ons hoofd en ons hart, is ons werk. Maar doen wij het ? Even tot helderheid komen ! Goede dingen gebeuren niet vanzelf. Daar zit moeite en onthechting in.

Moeten we als man en vrouw toch niet even gaan praten ? Waar zit onze droom, wat verlangen we, willen we daarvoor gewoonten afbouwen en investeren in wat onze relatie dient ? Het kan ook met minder. Moeten we niet eens goed luisteren naar onze kinderen, hun vragen in ons laten doordringen, zó luisteren dat wij ervan veranderen ? Leven wij hen voldoende de goede weg voor ?

En wij alleenstaanden, spinnen wij geen te stevig cocon rond onszelf ? En wij priesters en religieuzen, moeten wij niet opnieuw evangelie gaan doen, ook al is het met een kleine groep mensen ?

Rond deze tafel van gesprek en samen eten gaan onze ogen open. Jezus is er. We kunnen de wonden in zijn handen en zijde niet betasten, en wij kunnen zijn voeten niet omklemmen. Maar Hij is in de wonden van onze eigen handen, voeten en zijde en die zijn maar al te werkelijk.

Willen wij die wonden zien en betasten en er zegen laten over komen ? De werkelijkheid onder ogen durven zien en er anders leren mee omgaan, ze met een brandend hart beleven, daar blijkt het op aan te komen. Wanneer mensen hun verontwaardiging en hun angst om het kruis overwinnen, dan gaan ze anders denken, spreken en handelen. Hun ogen gaan open, ze beginnen verrijzeniswoorden te spreken. Zij staan op en keren zich om.

Mag en kan dat ook met ons gebeuren ? Met een brandend hart op weg gaan, vraagt voorbereiding en oefening.

  • De eerste stap van ommekeer bestaat erin van centrum te veranderen. Op weg naar Emmaüs zijn we op ons ‘ik’ gericht: mijn verwachtingen, mijn teleurstelling, mijn pijn, mijn realisatie, mijn verlangen en mijn voldoening. De ander is een vreemdeling. Alléén mijn verhaal is interessant.

Van het ogenblik dat we even zwijgen en luisteren naar die ander, gebeurt er iets in ons. Die ander heeft ook wat te vertellen en krijgt een gezicht. Ons verhaal wordt een beetje relatiever, wij nodigen uit en gaan aan tafel zitten. Het is pas wanneer we met open handen voor de ander staan, dat we een geschenk kunnen ontvangen. En we zullen het krijgen: brood om van te leven. Zo is Jezus aanwezig met het gezicht van dé Ander. Hem herkennen als de Levende, maakt ons los van onszelf, maakt ons liefdebekwaam. Hem houden we niet vast. Hij is de Verrezene.

  • Dát zien, doet ons een tweede stap zetten. Wij worden aan onszelf teruggegeven. Wij beseffen dat wijzelf, met het verrijzenislicht van Jezus in onze ogen, naar de gemeenschap moeten gaan. Daar hebben we veel aan elkaar te geven, en veel van elkaar te ontvangen. Verrijzenis wordt samen beleefd !

Het herkennen van het gezicht van de gemeenschap doet mij verrijzen en maakt mij sterk. Bidden wij dan, dat het licht van ‘de Gans Andere’ in onze ogen mag komen, opdat wij deze stappen kunnen zetten.

Bron: ‘Levende Kerk’ april 1996 p. 12-13


DE EMMAÜSGANGERS 3de PAASZONDAG - A - 21.04.1996

Het Emmaüsverhaal is echt een mooi verhaal, gevoelig en ontroerend. Heel dikwijls heeft het mensen geïnspireerd en moed gegeven. Mensen hebben zich ook heel dikwijls herkend in die twee die op weg waren naar een dorp, Emmaüs geheten. Ontgoocheld, ontmoedigd keren zij Jeruzalem de rug toe. De gebeurtenissen van de laatste dagen waren er te veel aan geweest: het lijden en de dood van Hem in wie zij geloofd hadden, van wie zij zoveel verwacht hadden. Het was nu reeds de derde dag. Alles was voorbij.

Ieder van ons heeft reeds zo’n momenten van ontmoediging gekend. Velen hebben de kerk de rug toegekeerd. Uit onverschilligheid, zeker, maar ook uit ontgoocheling. En zij die zich met hart en ziel voor die kerk inzetten, zij die het geloof zo graag aan hun kinderen doorgeven, zij voelen zich bij momenten zo alleen, zo terneergeslagen, dat ook zij het willen opgeven. Zij herkennen zich in die twee op weg naar Emmaüs, terug naar huis, weg van Jeruzalem.

Als leerlingen van Jezus hebben ook wij de opdracht te getuigen van de verrijzenis, in een wereld die getekend is door de dood. Ook wij moeten de Blijde Boodschap verkondigen in een wereld die geen reden heeft tot vreugde, die geen behoefte heeft aan die boodschap. Wij kunnen ons laten inspireren door dit evangelie. In dit verhaal wordt ons een handleiding aangereikt hoe wij die opdracht kunnen vervullen. Jezus is voor ons de gids.

Zoals Jezus het gezelschap opzoekt van die ontmoedigde leerlingen, zo moeten ook wij de mens opzoeken: . de mens die zich bedrogen voelt door God, . de mens die zich misbruikt voelt door de kerk, . de mens die ontgoocheld is door het leven en door zijn medemensen, . de mens die wanhopig is. Die mens moeten we opzoeken vol belangstelling. Oog en hart hebben voor zijn pijn. Samen met hem op weg gaan. Hem nabij blijven. De weg gaan die van Jeruzalem wegleidt. We moeten de mensen niet onmiddellijk terugroepen, zelfs niet met zachte dwang op de rechte weg brengen.

We moeten met hen meegaan naar Emmaüs, weg van Jeruzalem.

Samen op weg met de mensen komt er een moment dat wij hen kunnen spreken over de Schrift, over God die liefde is en ons in Jezus is nabij gekomen. Over die liefde kunnen we spreken als we het leven met hen delen en bij hen blijven, ook als het avond geworden is. Wie met hen mee de duisternis ingaat, mag en kan over het licht spreken. Wij moeten getuigen hoe die Schrift onszelf bevrijd heeft, hoe die ontmoeting met de levende Heer, ons de kracht geeft om lief te hebben.

In een echte ontmoeting worden mensen bevrijd tot liefde. De Blijde Boodschap is toch dat God van ons houdt, dat Hij trouw is. Die boodschap kan maar begrepen worden als wij liefhebben en mensen trouw blijven. De Heer kan maar herkend worden bij het breken van het brood, waar mensen zichzelf geven, zichzelf breken.

Zoals Jezus deze leerlingen van Emmaüs nabij is, met hen de weg gaat, met hen spreekt over de Schriften, met hen het brood breekt en deelt, zo moeten ook wij met mensen de weg gaan en hen nabij zijn. Jezus was eerst een vreemdeling, dan wordt Hij metgezel, reisgenoot en tenslotte *gast. *Hij stapt naar hen toe in een ontvangende houding.

Uiteindelijk wordt Hij *gastheer. *Wij moeten met elkaar de weg gaan van vreemdeling, van elkaars gast worden en dan ons laten voeden door de Heer zelf. Dan wordt het echt Pasen, dan ontbrandt ook ons hart, dan komen ook wij in beweging omdat ons hart ons dwingt. Dan gaan wij de weg naar Jeruzalem terug, omdat wij gegrepen zijn door de verrezen Heer.

Bron: ‘Sacerdos’ 1996 Nr. 3


WAAR HET HART VAN VOL IS …

3de Paaszondag – A – 18.04.1999

Het evangelie van daarnet blijft een sterk verhaal. Er gebeurt veel. Het zit vol afwisseling en kent geen dood punt. Alle gevoelens van een mens worden aangesproken. Maar zoals bij ieder goed verhaal wordt het pas spannend als wij opeens ontdekken dat het over ons gaat. Dat wij de personen zijn waarover het verhaal vertelt.

De lezingen tonen ons mensen, van wie het hart vol is van Jezus van Nazareth. Wij horen over leerlingen van Jezus, die allen op hun eigen wijze, getuigen van Jezus’ leven, lijden en sterven, maar ook over hun geloof in zijn opstanding uit de dood. Ze zijn er zo vol van, dat zij niet kunnen zwijgen. Zij willen hun verhaal kwijt aan wie het maar horen wil. In het evangelie horen we over de Emmaüsgangers die hun ervaringen delen met een vreemdeling die zij op hun weg ontmoeten. Dit heen en weer gepraat loopt uit op nieuw perspectief, zeker als zij in die vreemdeling, bij het breken van het brood, hun gestorven vriend, Jezus herkennen.

Het Emmaüsgangersverhaal is een verhaal over pijn, verdriet, verlies, duisternis en over het omgaan daarmee. Die twee mannen zijn hun goede vriend Jezus verloren. Zij zijn radeloos. Zij snappen niet waarom hun vriend moest sterven. Zij gaan op weg om hun leven van alledag terug op te nemen. Maar dat doen ze niet zomaar, niet zwijgend, niet zonder vragen, niet alleen. Op hun tocht laten zij gebeuren wat er gebeurt. Zij gaan in gesprek met een vreemdeling. Zij uiten hun verdriet, zij delen hun verhaal, zij vertellen over wat ze allemaal hebben meegemaakt.

Maar het verhaal over de Emmaüsgangers is ook een verhaal met perspectief, met licht, met hoop. Een verhaal over mensen die geloven in het ‘en toch’. Hun vriend Jezus was gestorven, maar dat is niet het laatste woord, wat over Hem gezegd hoeft te worden. Er wordt over Hem verteld: hoe Hij door het land trok en mensen in woorden en daden het beste wenste. Ieder die in de schaduwkant van het leven zat, haalde Hij naar voren, bevrijdde Hij en gaf hem een plaats in het licht van de zon. Maar Hij werd vermoord.

De vreemdeling begint te vertellen en plaatst het verhaal van Jezus in een breder kader. Bovendien eet Hij met hen mee en zij herkennen in de wijze waarop de vreemdeling met hen het brood deelt, de levende Jezus Christus. Plots weten zij met hun geluk geen weg, en gaan onmiddellijk hun vrienden in Jeruzalem vertellen: Jezus leeft ! Wij hebben Hem ontmoet !

Het verhaal over de Emmaüsgangers vertelt ook nog dat mensen langzamerhand de moed weer hebben kunnen oppakken. Ze konden weer verder, juist door hun ervaringen met elkaar te delen en door te geloven, dat de God over wie Jezus had gesproken, Hem bevrijd heeft uit de dood en Hem een bestaan gegeven heeft in God zelf, in de eeuwige vrede.

Zij kwamen tot de ervaring dat Jezus bij hen was, zij het anders dan vroeger en zij geloofden in ‘een verder’, Na Jezus’ dood en door hun geloof in zijn verrijzenis, komt de betekenis van zijn leven nog duidelijker naar voren. Dat houdt voor hen en voor ons de opdracht in, om Jezus’ leven niet dood te zwijgen en de draad weer op te pakken, waar die afgebroken leek.

Geloven in Jezus’ verrijzenis houdt tevens in: op weg gaan, doen wat Jezus deed, in het volste vertrouwen dat door zo te leven, God aanwezig komt in ons bestaan.

Wij worden opgeroepen het zout van de aarde te zijn, het gist van een nieuwe samenleving, waar niemand vergeten wordt. Wij worden uitgedaagd om licht te laten schijnen in onze wereld en onze talenten te gebruiken voor elkaar. Wij worden aangespoord om te worden als kinderen: open, verwonderd en ontvankelijk. Waar wij herders zijn voor elkaar, zal niemand verloren blijven en zal niemand tekort komen. Waar wij het brood breken in Jezus’ naam, zullen wij een thuis zijn voor elkaar. Telkens als wij dat teken stellen, zullen wij Hem indachtig zijn en zal Hij, aanwezig komen in ons midden.

Bron: ‘Tot uw dienst’, Liturgiekatern ‘Midden onder u’ jaargang 34 nr. 4


DE EMMAÜSGANGERS 3de Paaszondag - A -

Twee leerlingen van Jezus praatten onderweg over alles wat was voorgevallen. Zij hadden heel erg op Hem gehoopt en nu was Hij gekruisigd. Wel werd gezegd dat Hij verrezen zou zijn, maar dat lijkt geen grote indruk op hen te maken. Deze mannen zijn ontgoocheld. Ze konden die kruisiging niet begrijpen. Ze waren overtuigd dat alles daarmee ten einde was. En zoals zij in Jezus ontgoocheld zijn, zo zijn ook wij soms in God ontgoocheld. Ook wij zien God wel eens zoals Hij zeker niet is of verwachten zaken die Hij zeker niet kan geven.

Jezus ging met hen mee, maar ze herkenden Hem niet. Zo gaat het ook wel eens met ons. God is ons heel nabij, maar we kunnen Hem niet zien, precies omdat we Hem ons anders voorstellen dan Hij is. Of we zien Hem niet, omdat we vele zorgen en verwachtingen hebben die helemaal niet door God ingevuld kunnen worden. Daarom keren we ons wel eens af van God.

Hij legde hen de schriften uit en ook, dat de Mensenzoon zou lijden. Jezus spreekt over God zoals Hij is. Hij trekt de aandacht van de leerlingen weg van wat hen verduistert. God houdt van ons en wacht ons op, zegt Hij. Hij vergeeft en vraagt dat we zelf ook zouden vergeven. Jezus onderstreept nog eens welk soort Redder Hij zelf is. Hij moest niet triomferen in deze wereld. Integendeel, Hij moest veel lijden en ter dood gebracht worden. Hij laat verstaan dat ook zijn leerlingen zullen moeten leren lijden. Ze moeten niet uit zijn op triomfen.

Toen deed Hij alsof hij verder wilde gaan. Jezus wil zich aan de twee mannen niet opdringen. Zo dringt ook God zich niet op aan mensen. Mensen zijn als vrije wezens geschapen. Alleen in volle vrijheid kunnen ze oprecht naar God toegaan. God zou zelfs tegen de vrijheid van de mensen in, niets kunnen doen. Uiteindelijk blijven we onszelf meester. Hij heeft ons bovendien nodig om zijn plannen met de mensheid te verwezenlijken.

Toen vroegen ze dat Hij bij hen zou blijven omdat het al avond werd. Inderdaad. ‘s Avonds is een mens ook meer geneigd tot luisteren en spreken over heel persoonlijke zaken. Daar is het geloof zeker bij. En vooral in de avond van het leven, is een mens ook meer bereid over zin en betekenis van wat al voorbij is en van wat komen gaat, na te denken en te spreken. De onzekerheid die we beleven, de ervaringen van ons vroeger leven en de gedachte aan de naderende dood spelen daarin een rol. We zijn nu werkelijk heel blij dat God bij ons wil blijven.

Toen Hij het brood brak, herkenden ze Hem. Door Hem uit te nodigen, door met Hem bezig te blijven, door naar Hem te luisteren, begrijpen ze stilaan wie Hij echt is. Ze verstaan wat Hij wil en wat Hij voor hen kan betekenen. In een lang gesprek groeit hun verlangen om klaar te zien in zichzelf en in het leven. Ze kunnen Jezus nu zien zoals Hij verlangt dat ze Hem zien. Nu geloven ze waarlijk in Hem. Wij zullen zelf ook tijden en gelegenheden moeten zoeken om er allemaal dieper op in te gaan. Als we Jezus uitnodigen om bij ons te zin, zullen we God beter ontdekken.

Toen Hij weg was, bekenden ze aan elkaar dat hun hart brandde terwijl Hij tot hen sprak. Luisteren naar God maakt ons geestdriftig voor een leven in Gods nabijheid. Via Jezus spreken met God, maakt ook van ons andere mensen. Hart en ziel en geest, voelen zich rustig en voldaan. De diepste noden worden immers opgevangen in plaats van de oneindige reeks van oppervlakkige begeerten.

Zijzelf keerden terug naar Jeruzalem om te vertellen wat hen overkomen was. Dit gevoel van opluchting en blijheid, van rust en voldoening, willen ze zo vlug mogelijk delen met de vele anderen die ook worstelen met een Jezus die ze niet meer konden duiden. Daarom trekken ze er onmiddellijk heen om hun nieuw en stevig geloof met hen te delen. Als we zelf overvloeien van geloof, zullen we het ook niet kunnen laten dat aan de mensen rondom ons te zeggen. We gunnen het hun immers zo graag dat ze met ons dit geluk zouden kennen.

Bron: +Arthur Luysterman, in ‘Kerkplein’ 2002 nr. 4


HET EMMAÜSVERHAAL: ONS VERHAAL Paaszondag 3 A – 10.04.2005

Twee mensen, de Emmaüsgangers, verlaten Jeruzalem. Ze zijn teleurgesteld, hun leven is ontregeld. Ze weten niet hoe het verder moet, ze gaan terug naar Emmaüs, terug naar af. Een derde, een onbekende, voegt zich bij hen. Hij loopt met hen mee, luistert, vraagt en blijft luisteren.

Daarna neemt Hij, vertellend, meer de leiding. Het lukt Hem om de verblinding te doorbreken. De twee komen tot geloven. Geloven dat het leven van Jezus bij God behouden is, geloven dat het leven van Jezus zinvol was en zinvol blijft. Jezus leeft, dat geloof geeft hun nieuwe kracht. Moedig en vastberaden gaan ze terug naar Jeruzalem.

Het verhaal van de leerlingen van Emmaüs is ons eigen verhaal. Als bepaalde verwachtingen niet uitkomen, en wie maakt dat niet mee, dan kunnen teleurstelling en wantrouwen je leven gaan beheersen. De vriendin bijvoorbeeld of de broer met wie je dacht alles te kunnen delen, laat het op een belangrijk moment afweten. Je kind dat je dacht goed opgevoed te hebben, kiest een levensweg die je niet begrijpt. God geeft niet het antwoord dat je verwacht.

Het Emmaüsverhaal is het verhaal van ieder van ons. Want wat doe je als je teleurgesteld bent in mensen en in God ? Mensen kunnen het dan opgeven, onbereikbaar worden, zich afsluiten. Dan komt er zomaar iemand naast je lopen en je merkt dat het meelopen, het mee willen leven, oprecht is en op respect gebaseerd. In de rustige ruimte die geschapen wordt, kan teleurstelling en niet begrijpen verwoord worden.

Het samen onderweg zijn, samen iets verwerken kan diepte, zin en houvast geven. Het Emmaüsverhaal staat in het teken van ommekeer. Aan het begin gaan twee mensen weg uit Jeruzalem, weg uit de kring van leerlingen. Aan het eind gaan ze terug naar Jeruzalem, wetend, gelovend, diep in hun binnenste dat Jezus leeft.

In het gebaar van breken en delen hebben ze Hem herkend. In het gebaar van breken en delen weten ze Hem, hoewel uit het zicht, toch aanwezig.

Geloven ligt niet op het niveau van verstand en feiten. Daarom staat het Emmaüsverhaal stil bij wat er bij die twee van binnen gebeurt. Waren ze eerst verblind, nu zien ze met de ogen van hun hart.

Het is het verhaal van intens verdriet om de gestorven Jezus. Verdriet dat gaandeweg, inderdaad gaan-de-weg, omslaat in de vaste overtuiging dat Hij leeft.

Zo is het verhaal heel herkenbaar voor ieder die worstelt met een verlies. Verdriet te boven komen kan een mens niet in zijn eentje. Je moet het zelf wel doen, maar een medemens die liefdevol een eindje meeloopt is van onschatbare waarde.

Als het, hoe dan ook, donker is in je leven, mag je hopen op iemand die je nabij blijft, die met jou het brood, de angst, de zorg deelt. Waar dat gebeurt daagt het geloof dat Jezus leeft.

Bron: Liturgiekatern ‘Tot uw dienst’ 40ste Jrg. april/mei 2005 nr. 4


3de PAASZONDAG - B - 14.04.1991

Jezus is geen legende, maar een levende mens, geen vaag ideaal, maar een mens van vlees en bloed. Zo is Jezus, ook na zijn verrijzenis, voor zijn leerlingen. Ze blijven daarom over Hem spreken in allerlei toonaarden. Ze brengen hun ervaringen met Hem en verhalen over Hem onder woorden. Hoe zouden ze anders kunnen getuigen van het geloof dat in hen begon te groeien?

Het begint met twee leerlingen die menen dat ze Jezus voorgoed kwijt zijn. In Emmaüs vinden ze Hem terug. Ze herkennen Hem aan het breken van het brood. Zijn wij soms niet die leerlingen ? Soms, als wij echt durven delen, als wij onszelf durven breken voor anderen en anderen het doen voor ons, dan ervaren wij dat Jezus, niet ver van ons weg is. Waar wij als mensen het brood van het leven werkelijk delen met elkaar, daar gaan onze ogen open en zien wij Hem.

De Emmaüsgangers kunnen hun prille geloofservaring niet voor zich houden, ze vertellen erover aan anderen. En terwijl zij zo getuigen staat Jezus plotseling in hun midden. Hij zegt: ‘Sjaloom’, ‘Vrede !’ Dat is de hun gebruikelijke groet. Maar op deze avond heeft die groet een veel diepere betekenis. Bij zijn afscheidsrede voor zijn lijden en dood, heeft Jezus tot zijn leerlingen gezegd: *‘Vrede laat Ik jullie, mijn vrede geef Ik jullie’. *nu, na alle ellende en wanhoop, worden die woorden voor hen werkelijkheid.

*Zijn wij soms niet die leerlingen ? *Maken wij het mee dat Jezus plots in ons midden staat met zijn vrede ? Soms, wanneer wij ons verdiepen in de Schrift of wanneer we elkaar deelgenoot maken van het geloof dat in ons leeft, op die momenten vermoeden we dat de Heer in ons midden is. Dan ervaren wij zijn vrede.

Die twee leerlingen durven hun ogen en hun hart niet geloven. Ze staan verbijsterd. Ze menen een geest te zien. maar Jezus toont hun zijn handen en zijn voeten. Hij laat zich door hen aanraken. Hij vraagt zelfs iets te eten. En voor hun ogen eet Hij een stuk geroosterde vis op. ‘Zie, Ik ben het zelf.’ Die kleingelovige, bange leerlingen, zijn wij dat ? Soms, wanneer wij zoeken naar een levend geloof voor onze dagen, en wanneer wij nieuwe woorden proberen te vinden om ons geloof te uiten, overvalt ons de twijfel. In die twijfel komt Jezus zijn leerlingen, en ook ons, tegemoet. Zijn verrijzenis is niet een losstaand verschijnsel, geen magisch gebeuren.

Jezus zelf benadrukt dat wij dat moeten begrijpen. En de eerste mogelijkheid om tot begrip te komen is: de herinnering. Jezus heeft zijn lijden, dood en verrijzenis voorzegd. ‘Dit zijn mijn woorden, die Ik sprak toen Ik nog bij u was. Alles moet vervuld worden wat over Mij staat in de Wet, de Profeten en in de Psalmen.’ Hij wil dat wij inzien dat de Jezus van voor Pasen, dezelfde is als de Jezus van na Pasen. Daarbij verwijst Hij ons naar de Schriften. Zijn leven, dood en verrijzenis, is niet te vatten zonder kennis van wat geschreven staat.

Alle verhalen in de Schrift hebben ook betrekking op ons. De mensen die erin voorkomen, dat zijn wij. Daarom vertellen wij elkaar die verhalen ook telkens opnieuw. Al lezend en luisterend komen wij onszelf tegen, zoals we hier proberen Kerk te zijn. Daarom ligt het ook voor de hand dat wij die vraag stellen: bij welke gelegenheden hebben de eerste leerlingen Jezus ontmoet na zijn verrijzenis ? Als wij dat weten, weten wij ook waar we Hem nu moeten zoeken. De verrijzenisverhalen wijzen ons een weg:

  • De verrezen Heer is bij hen als ze met elkaar over Hem spreken, gewoon onderweg.
  • Zij herkennen Hem wanneer ze samen aan tafel zitten en het brood breken en delen zoals Hij dat met hen deed. ***** Ze ontmoeten Hem wanneer ze zich verdiepen in de Schriften, in de geloofservaringen van mensen van vroeger.

Dat doende hebben de leerlingen Hem herkend en werden ze zijn getuigen. Zo werden ze Kerk. Zo mag het ook met ons gaan, wanneer we met elkaar proberen die drievoudige weg te gaan: ***** Elkaar onze geloofservaringen vertellen, onze vragen rond Hem aan elkaar kenbaar maken, samen zoeken naar zijn levensideaal.

  • Vervolgens ons verdiepen in de geloofservaringen van mensen zoals die in de Schrift naar ons toekomen. Samen het geheim van het evangelie trachten te vinden. ***** Tenslotte, het leven met elkaar delen, durven te breken en te delen, zoals Hij het ons heeft voorgedaan.

Als levende Kerk proberen wij het in de praktijk van alle dag, want daar moet het gebeuren. De leerlingen ontmoetten Hem immers onderweg. En soms, vooral de zondag, vieren wij het nog eens nadrukkelijk, hier in dit samenzijn, rond de tafel. Zo willen wij van Hem getuigen. Zo willen wij Kerk zijn.

Bron: ‘Tijdschrift voor verkondiging’ 1991 Nr. 2 p.114


Ik zat gisteren bij dit prachtig lenteweer op een terrasje en ik sloeg de herbergier gade die, nogal vlot van de tongriem gesneden, met zijn klanten aan het praten sloeg. Ik dacht aan die herbergier van Emmaüs die na het voorval met die twee (of waren het er drie ?) klanten waarschijnlijk het ook wel zal rondverteld hebben. Toen drie late gasten bij hem binnenvielen en nog wensten te eten. Hoe bedrukt zij onderling bezig waren. Hoe hij hen om te beginnen de tafel gedekt had met brood en wijn, terwijl zijn vrouw in de keuken wat substantiëlers begon te kokkerellen. Hoe er een van hen verdween en hoe gelukkig die twee overgebleven waren en plots niet meer wilden overnachten en absoluut nog die avond naar Jeruzalem wilden teruggaan. Hoe….

Ik vind dit verhaal over de Emmaüsgangers – dit verhaal staat alleen maar bij Lucas – één van de mooiste die hij opgetekend heeft. Ik heb er een klein, ogenschijnlijk onbeduidend zinnetje uitgenomen en het op het prentje van mijn priesterwijding laten drukken : “Blijf bij ons Heer, want het wordt reeds laat”.

Het is ook één van de moeilijkste om te commentariëren. Althans dat vind ik. Vooral omdat er uit dit evangelie zo’n enorme intimiteit en gevoeligheid spreken, dat ge het bijna niet durft aanraken. Het gaat over twee mensen op weg, “twee leerlingen”, zegt Lucas.

Ze houden het voor bekeken en vertrekken uit Jeruzalem, de stad waar alles moest gebeuren. Weggaan uit Jeruzalem naar een onooglijk boerengat dat Emmaüs heet – men weet zelfs niet goed meer waar het lag – dat betekent het opgeven. Het niet meer zien zitten, alle hoop laten schieten. Want het is in Jeruzalem dat de tempel vernieuwd zou worden, waar een nieuw rijk zou gesticht worden met de jonge Messias aan het hoofd. Misschien hadden die twee ook heimelijk gehoopt op een vooraanstaand plaatsje in dat nieuwe rijk?

Wat er ook van zij, die twee schijnen Jezus goed gekend te hebben. Meer zelfs, het waren intieme vrienden want ze bespraken onder elkaar wat er gebeurd was in die verschrikkelijke week met die schandelijke kruisiging. De overlevering ziet in die twee een vader (Kleophas) en een zoon, maar dat is niet heel duidelijk. Het zouden ook wel eens man en vrouw kunnen geweest zijn. In ieder geval spreken zij onder elkaar over grondvragen die elke gelovige beroert.

Als mensen die je lief zijn, sterven; als mensen waarmee je je nauw verbonden voelde, worden weggenomen en weggedragen naar het kerkhof, dan gaat er ook een stukje van jezelf mee het graf in. En dan beginnen bittere vragen te woelen in ons hart en in ons hoofd. En dan brandt de vraag: “Waarom laat God zoiets toe, hoe moet ik nu nog in hem geloven? Heb ik mij niet iets laten wijs maken?” En zoals die twee leerlingen van Jezus op weg naar Emmaüs, weg van Jeruzalem, zijn wij ontgoocheld en dragen in ons een diepe wonde die langzaam moet genezen want we zitten met heel wat stukgeslagen verwachtingen.

Midden in het leven vallen heel wat kaartenhuisjes van onze plannen en verwachtingen in duigen. Alles verloopt anders dan wij vanuit edele idealen of uit geloof verhoopten. “Moet dat alles nu ten onder gaan? Dat kàn toch niet! Wààr is nu die God, onze Vader van goedheid? Die ziet naar geen mens om!” En ontredderd gaan we dan bergaf, de nacht in naar Emmaüs. En in ons doemdenken sleuren we ook soms nog anderen mee de dieperik in.

Met zulke gevoelens en gedachten waren die twee bezig. Ze zijn nog helemaal in de war van hetgeen ze hebben meegemaakt en kunnen aan niets anders denken en over niets anders praten. En ze zijn geïrriteerd als een vreemdeling zich bij hen aansluit en hen vraagt waarover ze het eigenlijk hebben. “Ben je dan helemaal vreemd in Jeruzalem dat je niet weet wat er deze dagen is gebeurd? Dat met Jezus van Nazareth, een profeet, machtig in woord en daad, bemind door het gewone volk, maar verraden en veroordeeld door de gezagsdragers van de tempel. En wij maar hopen”, zeggen ze droevig, “dat hij Israël zou bevrijden!” En dààrom gaan ze naar Emmaüs, terug naar af! met pijn en verdriet gaan ze ontgoocheld en uitgedoofd naar huis.

In dat gevoel kunnen wij ons ook herkennen, denk ik. Teleurgesteld zijn in God die het allemaal toelaat, kwaad zijn op die zogenaamde “Lieve Heer”. U in de steek gelaten voelen omdat het leven heel anders liep dan je hoopte en heel anders dan dat je verdiende.

Als het ons overkomt, is het heel waardevol als je het kunt delen met elkaar, als je er met anderen kunt over praten. Daarom komen mensen naar een begrafenis om het verdriet met de nabestaanden wat zachter te maken. Er te zijn, iets mee te geven: een handdruk, een traan, een schouderklopje, een gesprek. Want meer dan twee armen om mekaar te omhelzen, enkele woorden om mekaar te bemoedigen, hebben we niet. Maar dat kan ons wel terug in het licht brengen. Fantastische mensen zijn het die, zoals die vreemdeling bij het dorp Emmaüs, ons over een dood punt heen kunnen tillen. Die je moed geven door al je verdriet om toch door te gaan. Zulke mensen halen je uit een put van tranen, uit je graf van verdriet, ze blazen terug het vuur weer aan, ze rollen de grafsteen weg. En we beginnen er stilaan terug in te geloven.

Want geloven is een zoeken en een “op weg gaan”, zoals de Emmaüsgangers die dan plotseling, zonder dat zij het verwachtten, iets opvangen, iets méé-maken. Een glimp, een belevenis waar ze weer mee op stap kunnen gaan.

Dat deed die vreemdeling met de twee Emmaüsgangers. Hij legde aan de hand van de geschriften uit dat met Jezus een nieuw begin aanvangt. Eerst met minzame woorden, daarna roept hij keiharde realiteiten op: vernedering, verdriet, lijden, dood. En ze geraken in de nacht, in de mist en verder en verder verwijderd van Jeruzalem, maar niet dichter bij een nieuw inzicht. En de nacht valt. Niet enkel buiten!

Maar ze voelen dat de vreemdeling niet alles heeft uitgesproken en dat hij hun hart kan verwarmen: “Blijf bij ons Heer, want het wordt al laat”. En dan gebeurt het. Ze gaan ergens binnen, licht wordt aangestoken, een tafel gedekt en brood met elkaar gedeeld. En dan gaan hun ogen open. En krijgen ze nieuw inzicht. Ze gaan van duisternis naar licht, van dood naar leven, van Emmaüs keren ze terug naar Jeruzalem.

Och we proberen het hier in de Abdijstraat, elke zondag weer uit: we leggen de Schriften open en we breken het Brood met elkaar. En zo kunnen wij ook, zoals de Emmaüsgangers onder elkaar, zeggen: “Het is de Heer!” En zo mogen wij verstaan dat Jezus, als Levende onder ons blijft. Tegenwoordig in ons leven, als wij onze ogen openen om hem te herkennen, en tegenwoordig op een mysterieuze wijze in de zondagsviering. Want wij vieren eigenlijk elke zondag Pasen. Elke zondag weer worden wij in de bloemetjes gezet, dan is het zon-dag, een feest van herkenning en ontmoeting, dat werkelijkheid wordt in ons leven. Moge die werkelijkheid in ons groeien door het gelovig gesprek met elkaar, door te luisteren naar de Schriften en het Brood voor elkaar te breken. En ook om te fluisteren: “Blijf bij ons Heer, want het wordt reeds laat !”

p. Serge A. DESOUTER


DE EMMAÜSGANGERS

Twee aan twee.

Zo gaan mensen ook vandaag met elkaar op weg.

Niets bijzonders, niets speciaals. Doodgewone mensen, alledaagse gebeurtenissen lief en leed, geluk en ongeluk, angst en twijfel.

Doodgewone mensen die klagen en hopen, die elkaar vertellen wat hen bezig houdt. Die ervaringen delen en ter sprake brengen, en ze laten bezinken tot ze helder worden op de bodem der herinnering.

Mensen die intreden in elkaars verhaal, worden samenhorig. Ze dragen elkaar op de weg van mens naar medemens, van vreemd tot vriend. Verbondenheid wordt kracht die niet te breken is.

Zo gaan mensen ook vandaag de weg ten leven.

Je hebt niets gezegd. Alleen geluisterd, urenlang, tot mijn verhaal ten einde was.

Alles mocht ik aan je kwijt: het opgekropte zeer, de flarden van ontgoocheling en van gekwetst vertrouwen.

Van de grote puzzel die ik ben van gevoelens en ervaringen, mocht ik zelf de stukken openleggen.

Stilaan kwam weer licht op de weg die voor me ligt.

Je hebt niets gezegd, niets gedaan. Je was er. Je hebt mij aan mezelf teruggegeven.

Herinnering is het radicale weigeren te vergeten, is het taaie vechten tegen de verstrooiing van alleen maar hier en nu.

Is wat ooit aan jou gebeurde wortel laten schieten in je diepste binnenste, puzzelstukken samenrapen van goede en minder goede ervaringen, en ze laten beklijven tot ze eigen vlees en bloed worden, tot ze kracht en richtsnoer zijn voor de weg van morgen.

Is het steeds opnieuw herhaald refrein van wie en wat je ooit gemaakt heeft tot de mens die je nu bent.

Is ook geworteld willen staan in het eindeloos verhaal van mensen die voor jou de weg geëffend hebben, en van die God die aan die weg zijn Naam gegeven heeft: Redding. Toekomst. Recht en vrede. Leven. Ondanks de dood. Voorbij de dood.

Gastvrijheid is een wondere ervaring.

Uit het donker van de achterdocht kom je in het licht van diep vertrouwen. Uit de kilte van de eenzaamheid waait de warmte je tegen van gemeende vriendschap en verbondenheid. Met je mantel mag je ook je masker afleggen dat je broze kwetsbaarheid verbergt, zo klein en hulpbehoevend als je bent, zo mag je zijn. Je mag je nestelen in zetels van respect. Je zit aan aan tafels van toenadering. Je hebt een nieuwe thuis bij vreemde mensen, en die is je gratis gegeven.

Gastvrijheid is de vingeroefening in ’t klein voor wat de wereld worden moet in ‘t groot: een thuis voor ieder mens.

Een mens die breekt en deelt, doet anders dan de meest mensen doen. Hij kan het meestal ook niet laten. Al wet hij heeft, is om te geven, en geven is zijn leven.

Hij brengt het meestal ook niet ver, die mens. Hij wordt niet rijk aan geld en goed, en vaak sterft hij vergeten, soms gekruisigd.

Je kijkt wel wat verwonderd op van zo’n mens. je vindt het niet normaal, of minstens ongewoon. Je denkt: Wie doet dat nu ? Zo doen toch mensen niet ?

Een mens die breekt en deelt, doet ogen opengaan, al zie je ’t maar heel even: zo’n leven is een teken van het einde van het elk voor zich. Hier breekt nieuw leven door: dit is het opstaan van de nieuwe Mens.

Carlos Desoete: ‘Naam die zin is van ons leven’ 1996 p. 195-203.


ZOALS EENS OP WEG NAAR EMMAÜS

In het verhaal van de ontgoochelde leerlingen op weg naar Emmaüs is meester-verteller Lucas op onovertroffen wijze aan het werk. De evangelist schildert de verrezen Jezus als pedagoog en catecheet in actie. De verleiding is dan ook groot om uit dit verhaal catechetische tips en een model van verkondiging af te leiden. Dat moeten we nu maar eens niet doen ! Laten we liever stap voor stap met de leerlingen op weg gaan en ‘vertellen wat er onderweg is gebeurd’.

Lucas houdt van reizen en reisverhalen. Iedereen is voortdurend op weg. Belangrijke ontmoetingen en gebeurtenissen vinden onderweg plaats. Zo is Jezus in zijn evangelie niet minder dan tien hoofdstukken lang op reis naar Jeruzalem. Jeruzalem is voor de evangelist het theologische centrum van de wereld. Het is ‘the place to be’, de plaats van het heilsgebeuren: van lijden, kruisdood, verrijzenis en hemelvaart. Weggaan van Jeruzalem is dan ook hetzelfde als op de verkeerde weg zijn. Wie weggaat van Jeruzalem is de weg kwijt, heeft zin en richting verloren, is uitzichtloos, ziende blind ! En dat is precies wat Lucas vertelt van Kleopas en die andere leerling die op die bewuste zondagmorgen – ‘de derde dag’ sinds Jezus’ dood - ontmoedigd en verward wegtrekken naar Emmaüs, een dorp zo’n zestig stadiën of twaalf kilometer verwijderd van Jeruzalem. Ze hebben Jeruzalem vaarwel gezegd ! Terug naar huis, einde verhaal !

In gesprek

Onderweg ‘spreken de twee met elkaar over alles wat is voorgevallen’. De tekst preciseert: ‘ze waren met elkaar in discussie’. Nu voegt Jezus zich bij hen. Tenminste, wij als lezers of toehoorders van het verhaal weten dat het Jezus is. De leerlingen ‘waren niet bij machte Hem te herkennen’. Ziende blind ! Hun ogen zijn nog niet aangepast aan de nieuwe werkelijkheid van de verrijzenis. Ze zitten nog opgesloten in hun eigen verhaal van mislukking en vertwijfeling.

Jezus loopt met hen mee. Er is nu een derde Emmaüsgangers in het verhaal die mee de verkeerde weg gaat. Hij wil met hen in gesprek komen en neemt het initiatief. Jezus presenteert zich niet als een deus ex machina door onmiddellijk te verklaren: ‘Maar ik ben het, en ik *leef !’. *

Dat zou een miskenning zijn van de realiteit van de dood en van de pijn van het afscheid. De wanhoop kan slechts overwonnen worden door een geleidelijk proces van verheldering en inzicht.

Jezus stelt een vraag: ‘Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten ?’ Weet die ‘vreemdeling in Jeruzalem’ dan niet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd ? Wat dan ? Nu komen de leerlingen op verhaal en vertellen honderduit. Hoe ze volgelingen waren van Jezus van Nazaret, ‘een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk’. Hoe Hij overgeleverd is door de hogepriesters en de leiders, ter dood veroordeeld en gekruisigd. Hoe ze hadden gehoopt dat Hij de verlosser van Israël zou zijn. Hoe enkele vrouwen hen die morgen toch in verwarring hebben gebracht. Hoe een paar van hun medeleerlingen wel het lege graf aantroffen, maar Hem niet hebben gezien. Het is al heel wat wanneer je het allemaal eens mag vertellen. Vertellen ontwart.

Wandelen in de Schrift

Jezus luistert, maar neemt vervolgens het woord en spreekt duidelijke taal. Hij berispt de leerlingen: *‘Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd ?’ *De nabije tochtgenoot neemt afstand en wordt voorganger. Hij wordt leraar en gidst hen door de Schrift: ‘Hij legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en alle Profeten.’ Jezus is nu de joodse rabbi die met hen door de traditie wandelt en de verhalen opdiept uit de geschiedenis van het volk. Hoe er geleden en gestorven werd en hoe het volk toch steeds herleefde. Hoe God ‘niet liet varen het werk van zijn handen’. Hoe de ‘Dienaar van Jahwe’, geminacht en gemeden door het volk, door God verheven werd. Lucas zelf noemt geen concrete bijbelteksten. Jezus is de vervulling van ‘Wet en Profeten’, dat wil zeggen: van heel de Schrift die van kaft tot kaft een boek van opstanding is.

De vreemdeling vertelt het verhaal van de Schrift niet afstandelijk, als een stuk geschiedenis of doctrine. Neen, het is zijn verhaal geworden: het verhaal van woestijn en beloofde land, van ballingschap en terugkeer is Jezus’ verhaal van Golgotha en Pasen. Precies dat hebben de leerlingen gevoeld: hier komt de Schrift tot leven. Dat heeft hen gefascineerd: hier wordt uitzicht geboden en wanhoop doorbroken. Al beseffen ze dit alles pas achteraf: ‘Was het niet hartverwarmend zoals Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende ?’

In gast-vrijheid

Het verhaal ‘luistert nauw’. Elk vers moet met aandacht gelezen worden. ‘Toen ze bij het dorp kwamen waar ze *moesten zijn, deed Hij alsof Hij verder wilde gaan.’ *Jezus dringt zich niet op. Hij laat vrij. Het beslissende initiatief moet van de leerlingen zelf komen. Aan hen de keuze om de vreemdeling binnen te laten, om de gastvrije liefde die de kern vormt van het evangelie, in de praktijk te brengen: ‘Ik was vreemdeling en jullie hebben Mij opgenomen’ (Mt 25,35). Als ze hem niet uitgenodigd hadden, was hij doorgegaan en hadden ze alleen zijn suggestieve woorden aan de ontmoeting overgehouden. ‘Met aandrang,’ schrijft Lucas, vragen de leerlingen: ‘Blijf bij ons…’.

Dan gebeurt er iets merkwaardigs: de gast wordt gastheer. *‘Eenmaal met hen aan tafel nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun.’ *Dit alledaagse gebaar aan het begin van de joodse maaltijd, wordt hier een rechtstreekse verwijzing naar Jezus’ laatste maal met zijn leerlingen. In het breken en delen vat Hij zijn leven en sterven samen. Gastvrijheid en tafelgemeenschap zijn voor Lucas dierbare thema’s. Het zijn metaforen voor het Rijk Gods. De ‘maaltijd van de Heer’ is de plaats voor de ontmoeting met de Verrezene, niet alleen voor deze leerlingen, maar voor alle generaties christenen die na hen onderweg zijn. Telkens zij op de eerste dag van de week het brood met elkaar delen en de Schrift opnieuw lezen, is Jezus in hun midden.

‘Nu gingen hun de ogen open’. Niet in wat de medereiziger zegt, maar in wat hij doet, wordt Jezus herkend. Nu pas vallen de schellen van hun ogen, zijn ze niet langer ziende blind. *‘Maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen.’ *Toch zijn ze niet opnieuw alleen. Jezus blijft aanwezig in hen, nu ze zien met gelovige ogen. ‘Meteen stonden ze van tafel op,’ - het is een opstandingverhaal !

  • ‘en gingen terug naar Jeruzalem.’ Ze keren zich letterlijk om en gaan de juiste weg. Ze bevinden zich weer op de weg van Jezus. In Jeruzalem komen ze opnieuw in de gemeenschap, die intussen een paalgemeenschap is geworden: ‘Waarachtig de Heer is opgewekt, aan Simon is Hij verschenen.’ Aan die blijde boodschap voegen de leerlingen van Emmaüs hun ervaring ‘onderweg’ toe en hun herkenning van Jezus in het breken van het brood.

Geloven onderweg

Het Emmaüsverhaal is de neerslag van het geloofsleven van de eerste Kerk. Het vertelt hoe de eerste christenen geleidelijk aan in het reine kwamen met Jezus’ schokkende dood. Het vertelt de moeizame weg van het geloof. Het is Jezus zelf die de ogen van de leerlingen opent en hen in staat stelt de gebeurtenissen te verstaan vanuit de Schrift. Geloof is de leerlingen overkomen, het is hen geschonken in de ontmoeting met de levende Heer. Het is een verhaal van geleidelijke inwijding in het geloofsmysterie.

Die inwijding gebeurt gaandeweg. Ik moet meestappen in het verhaal om te ontdekken dat ik soms zelf Kleopas of de anonieme medeleerling ben die verward en ontmoedigd, in discussies verwikkeld, de verkeerde weg gaat. Om de gastvrijheid te beoefenen en de vreemde niet voorbij te laten gaan. Om zoals Jezus mensen tegemoet te gaan op hun weg, een vraag te stellen en hen op verhaal te laten komen. Om hartverwarmend te spreken en leven en Schrift op elkaar te betrekken. Om gids te zijn in het herontdekken van de traditie. Om altijd weer de uiteindelijke vrijheid van de ander te respecteren. Om het risico te willen lopen van misschien toch afgewezen te worden. Om voor alles de gastvrije liefde te beleven en te breken en te delen. Om weer op te staan en mij te bekeren. Om te getuigen van wat er onderweg is gebeurd. Kortom, om de weg van het geloof te gaan.

Bon: Peter Malfliet in: ‘Kerkplein’ febr. 2004.

Zoeken in Preken Online