Ons Heer Hemelvaart A - 2002

A-cyclus · Paastijd · Olh hemelvaart · wit

Zusters en broeders,

De hemelvaart van Jezus: realistischer dan die in de eerste lezing wordt voorgesteld, kan bijna niet. We staan als het ware op de eerste rij, we zien het zo voor onze ogen gebeuren: Jezus wordt omhooggeheven, en de apostelen staren Hem bij zijn hemelvaart gespannen na. Zo staat het er. Bijna het scenario van een spannende film. Maar toch trokken een paar andere elementen mijn aandacht.

Vooreerst: er staat niet dat Jezus bij de Vader aankwam, wel dat een wolk Hem aan hun ogen onttrok. Welnu, die wolk deed me onmiddellijk denken aan Jezus’ doopsel en aan zijn gedaanteverandering op de berg Tabor: daar spreekt telkens een stem uit de wolken. Wolken zijn dus een beeld voor God, en wel een bijzonder rijk beeld. Immers, wolken zijn niet van de aarde, en tegelijk zijn ze wèl van de aarde. Als ge recht naar omhoog kijkt, zijn ze heel ver af, maar kijkt ge in de verte, dan lopen ze onmerkbaar in de aarde over. Ze worden ermee één. Bovendien zorgen ze er met hun regen voor dat de aarde vrucht kan dragen. En zo is het symbool rond: God is niet van de wereld, en is tegelijk wèl van deze wereld. Hij is één ermee. Hij reikt ons zijn levengevende adem, zodat we vrucht kunnen dragen. Jezus’ hemelvaart betekent dus niet dat Hij ons als wezen achterlaat. Hij blijft ons nabij, Hij voedt ons, Hij houdt ons in leven.

Wat me evenzeer trof, waren die twee mannen in hun witte gewaden. Opnieuw heel realistisch voorgesteld, maar tegelijk symbolisch bijzonder diepgaand, namelijk: God zendt zijn engelen niet om het werk van Jezus verder zetten, wel om te zeggen dat het nu aan de apostelen is. ‘Hou maar op met naar de hemel te staren,’ zeggen ze, ‘kijk maar naar de aarde, hier is het te doen. Hier is uw leven en uw werk en uw taak.’ En wat dat taak is, hoorden we in het evangelie: “Gaat dus, en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen, en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.”

Dat is een opdracht die kan tellen, want daar staan ze dan: elf bange, verweesde mannen, onzeker en met een hele hoop vragen: waarom liet Jezus hen alleen, waarom gaf Hij hun zo’n loodzware, quasi onuitvoerbare opdracht, hoe moesten ze daar in godsnaam aan beginnen. Of misschien ben ik maar wat aan het fantaseren, en waren ze helemaal niet moedeloos en onzeker. Misschien waren ze integendeel juist heel zeker en oersterk in hun geloof, omdat Jezus’ laatste woorden in hen bleven nazinderen: “Ziet, Ik ben met u, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.”

Zusters en broeders, ik weet niet hoe gij u bij deze woorden voelt, maar voor mij zijn dat zo ongeveer de mooiste woorden uit het hele evangelie. Jezus doet hier een belofte waaraan letterlijk geen einde komt: “Ik ben bij u, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.” Dat is inderdaad grenzeloos en eindeloos, zonder voorwaarden en zonder beperkingen. Waar we ook gaan of staan, wat we ook ondernemen in zijn Naam, Jezus is met ons. En het is gewapend met die belofte dat de apostelen erop uitgetrokken zijn, en dat ze hun schijnbaar onuitvoerbare opdracht op zich genomen hebben. Ze hebben Jezus’ woord inderdaad onder alle volkeren gebracht. Er is geen continent en er is geen land dat niet door het christendom is beroerd; het omspant de hele wereld. En de snelheid waarmee dit is gebeurd, is eigenlijk onbegrijpelijk. Ondanks tegenkanting en vervolging was het hele gebied rond de Middellandse Zee een paar honderd jaar na Jezus’ hemelvaart zo goed als volledig gechritianiseerd, en was het christendom veruit de belangrijkste godsdienst geworden in het Romeinse Rijk. En dat allemaal vanuit Palestina, een onooglijk kleine uithoek in dat immens grote Rijk, en vanuit een paar vissers, een gewezen tollenaar, een leerjongen hier en een bootsman daar. Met dit als resultaat.

En hier, zusters en broeders, kan ik alleen maar zeggen: dit is niet meer het werk van mensenhanden, dit is niet het resultaat van het geloof en de inzet van Petrus en Paulus en Johannes en Thomas en de andere getuigen. Hoe sterk ze ook geleefd en gewerkt hebben voor Jezus, hoe overtuigd ze ook voor Hem zijn gestorven, meestal de marteldood, dit is niet hun werk, wel het werk van God. Wanneer de Kerk zo’n snelle en universle verspreiding heeft gekend, wanneer ze, ondanks tegenkanting en vervolging, en misschien nog meer: ondanks innerlijke twisten, scheuringen en schandalen, ook vandaag; wanneer ze, ondanks dit alles tweeduizend jaar later nog altijd springlevend is, dan herhaal ik zonder aarzelen: dit is niet het werk van de mens; dit is het werk van God. Niet wij, wel God leidt en verspreidt de Kerk; niet wij, wel Hij draagt en schraagt het geloof. Het is niet onze Kerk, wel zijn, Kerk, en we zijn niet zomaar een volk, nee, we zijn zijn volk, Gods volk. Hij is verantwoordelijk voor ons, niet wij voor Hem. Want Hij is met ons, alle dagen van ons leven, tot aan de voleinding van de wereld.

Zusters en broeders, zalig zijn wij met zo’n God. Amen.

Zoeken in Preken Online