We zien het dikwijls gebeuren in een film of een serie op TV. Iemand is iets ergs tegengekomen en iemand anders troost hem of haar met de gedachte dat het allemaal wel goed komt. De nood aan iemand die je troost schenkt, je weer wat perspectief geeft is niet alleen iets uit de fictieve wereld van film en TV, het is ingeschreven in de menselijke realiteit. Zeer zeker in deze tijd waar mensen bijna overbevraagd worden. Een deel van de oorzaak van dit overbevraagd worden, ligt bij de mens zelf. Al te vaak laten wij ons meeslepen met een mentaliteit in de maatschappij die je een leven laat uitbouwen, gestoeld op angst en wantrouwen. Het komt er zo wat op neer dat je uiteindelijk niemand anders kan vertrouwen dan jezelf. Wie leeft vanuit zo’n visie, heeft geen gemakkelijk leven want alle lasten van het leven moet je zelf torsen: ikzelf moet het maken, moet mij afschermen, … Uiteindelijk leidt dit bij sommige mensen tot de ongelofelijke dwaasheid te geloven dat men niemand nodig heeft. Mens word je zelf, je hebt daar geen anderen voor nodig. Weg met de ouders die je het leven schonken, je familie die je omringt, de mensen die je leven zin geven door hun liefde … Wie leeft vanuit angst, leeft eenzaam en kan daar uiteindelijk alleen maar depressief van worden. Voor de bijbelse schrijvers is de mens fundamenteel een relationeel wezen, een schepsel dat niet zonder de anderen kan. Al op de eerste bladzijde vernemen we dat God het niet goed vindt dat de mens alleen is. In beide scheppingsverhalen schept God twee mensen en zoekt Hij zelf verbondenheid met de mens. In het evangelie van vandaag gaat de evangelist Johannes verder op deze basis. Om te begrijpen waar Jezus het over heeft, is het noodzakelijk de mens te zien als een relatiewezen. Als mensen aan je deur blijven kloppen en je antwoordt niet, dan zal je ook niet opendoen voor God. Je steekt jezelf weg achter de muren van je zelf opgebouwde leven.
Tegenover de angst stelt Jezus vandaag een ongebreideld vertrouwen. Hij vraagt niet alleen te vertrouwen op mensen, dat is nog doenbaar voor veel mensen. Hij vraagt om vertrouwen te hebben in Hem en in God, een God waarvan de bijbel zegt dat niemand Hem ooit heeft gezien. Is het mogelijk je leven toe te vertrouwen aan Iemand die je niet ziet, niet voelt? Het antwoord is, hoe onlogisch ook voor rationele denkers, “ja”. Waarom durf ik daar “ja” op antwoorden? Omdat ik mij geïnspireerd vind door het voorbeeld van Jezus. Tegen elke vorm van godsdienstbeleving die mensen uitsluit, maakte Hij iedereen deelgenoot van Gods liefde. Zelfs toen het kruis Hem wachtte en er ongetwijfeld ook bij Hem angst moet geweest, heeft Hij Zijn leven in de hand van Zijn Vader gelegd. Het is dus mogelijk te vertrouwen op Iemand die je niet ziet. Nu denkt u misschien: ja, dat was Jezus, maar wij zijn Jezus toch niet? Neen, wij zijn Jezus niet, maar als we werkelijk volgeling van Hem willen zijn, dan zou er toch ook bij ons vertrouwen en geloof moeten zijn in de Vader. Naast Jezus zijn er nog veel andere voorbeelden uit de rijke kerkgeschiedenis van mensen die hun eigen leven op het spel gezet hebben voor anderen, die geloofd hebben dat alles uiteindelijk wel goed zou komen. Maar misschien vinden we al die voorbeelden zoals een pater Damiaan en een moeder Theresa te hoog gegrepen voor onszelf. Daarom is het zo belangrijk dat wij ons vandaag mogen aangesproken voelen door Jezus wanneer Hij zegt onbevreesd te zijn. Uit angst voor de teloorgang van de Kerk kunnen we alles op alles zetten om de boel, om het zeer oneerbiedig te zeggen, overeind te houden. Op zich is dat misschien lovenswaardig maar is het geen blijk van pretentie te denken dat wij het geloof in stand kunnen houden? Staan we met al onze goede bedoelingen nieuwe vormen van Kerk-zijn die aan het ontkiemen zijn, niet in de weg? Leggen we de toekomst van de Kerk niet beter in de handen van God? Misschien gaan we een andere vorm van Kerk-zijn tegemoet, met minder priesters en minder religieuzen zoals we ze nu kennen, maar staat er niet in de bijbel: “Zie, ik ga iets nieuws beginnen? " Enkel mensen die leven vanuit angst houden, zonder zich vragen te stellen, vast aan het oude. Het is goed dat we als christen beseffen dat we het christelijk geloof nooit zouden ontvangen hebben mochten de eerste christenen uit dezelfde angst geleefd hebben!
Jezus vraagt niet alleen dat we ons niet zouden laten inpalmen door angst, Hij belooft ook dat Hij voor ons allen een plaats zal klaarmaken. Een kind kan het beste van zichzelf geven omdat het weet dat er altijd een veilige thuishaven is waar het op rust kan komen. Ik vermoed dat Jezus iets in die zin bedoelt en dat wat Hij zegt niet enkel te maken heeft met een plaats na de dood, alhoewel heel wat elementen uit deze tekst dit laten doorschemeren. Zo zegt Jezus dat Hij vertrekt naar een plaats waar ze Hem voorlopig niet kunnen volgen. Hij doelt hier mee op Zijn verheerlijking bij de Vader na Zijn dood. De leerlingen begrijpen het niet, lijken niet te weten welke de weg is die moet gevolgd worden om te delen in het leven van de verheerlijkte Jezus. Jezus noemt zichzelf de weg naar dat leven. Wie in Zijn voetspoor de weg van de liefde volgt, in alle waarheid, Hij zal het ware leven vinden. Overal waar mensen dat doen, zal men Jezus aan het werk kunnen zien, en dus ook God. Daar waar mensen leven voor elkaar, opkomen voor waarheid en gerechtigheid, waar mensen werken aan leven voor iedereen, daar wordt God zichtbaar, daar kan vertrouwen groeien die alle angst wegneemt. Een gemeenschap waar mensen leven voor elkaar toont ons de rijkdom van leven delen en de armoede van alleen maar op jezelf te bouwen. Het klinkt allemaal heel mooi, maar waar vinden we die gemeenschappen en waar halen we mensen die leven vanuit dit vertrouwen? Misschien moeten we ze niet te ver zoeken, misschien kunnen we zelf, schoorvoetend allicht, beginnen leven uit dat vertrouwen en zo de pretentie op stilletjesaan opzij schuiven dat wij gans ons leven in de hand moeten hebben en wij alleen het zin kunnen geven. Laten we bidden dat we mogen groeien in dit vertrouwen, niet om alle verantwoordelijkheid van ons af te schuiven, maar om als hoopvolle mensen te kunnen leven. Want weet je, Jezus belooft ons dat het waar is wat we in zoveel films en TV-programma’s zien: “het komt allemaal goed”. Ik wens je uit de grond van mijn hart dit vertrouwen.