De Nederlandse vertaling ‘in het huis van mijn vader is ruimte voor velen’ is meer een interpretatie dan een vertaling van de oorspronkelijke Griekse tekst. Maar ook die Griekse tekst heeft verschillende versies. De term ‘in het huis van mijn vader’ kan ook gelezen worden als ‘bij mijn vader’. Er wordt ‘in dat huis’ of ‘bij de vader’ niet gesproken over één ruimte waarin de getrouwen opgenomen zullen worden. Het Griekse woord dat als ruimte vertaald werd, is een meervoud. Er is een veelheid van ruimten. Het enkelvoud van dat woord is moné. Er zijn exegeten die dit woord vertalen als stopplaats, statie, halte of station. In dat geval zegt Jezus dat er veel etappen zijn op weg naar de vader. Iets dat goed past in de gnostische context van het evangelie van Johannes. De gnostici meenden vaak dat de ziel door allerhande fasen van zuivering moet gaan voor helemaal verlost te zijn van het wereldse.
Maar het schijnt meer in de lijn van Johannes te liggen om aan een nog andere vertaling te denken. Die vertaling is dan dat er veel ‘verblijfplaatsen’ zijn in het huis van God. In dat geval houden we rekening met de voorkeur die Johannes heeft - zoals we ook elders in dit boek zullen zien - voor het woord menein, een woord dat ‘blijven’ betekent. Een ‘blijven’ met de vader, met Jezus of met de geest. Een ‘blijven’ dat contrasteert met deze wereld.
In dat geval zegt Jezus dat er in de komende wereld bij de vader veel verblijfplaatsen zijn voor de getrouwen. Het gaat Johannes, die ons deze tekst doorgeeft, om dat bij de vader zijn. Daar gaat het Jezus om, die in het evangelie van vandaag afscheid van zijn leerlingen aan het nemen is.
Maar daar gaat het de leerlingen van Jezus - Johannes maakt nooit een verschil tussen apostelen en leerlingen! - ook om. Ze willen de weg naar de vader kennen. Ze geloven best dat Jezus naar de vader gaat, maar hoe komen ze daar zelf? Het is de ietwat langzame Thomas die de vraag indirect stelt: ‘Heer, wij weten niet waar gij heen gaat, hoe moeten we dan de weg kennen?’ Maar het is Filippus - een apostel die alleen maar in het evangelie van Johannes een eigen rol speelt, en die dan meestal de vragen van anderen verwoordt - die de vraag direct stelt: ‘Heer, toon ons de vader!'
Het is nogal een vraag! Het een levensvraag. Het soort vraag waar wij in onze tijd niet zo vaak aan toe komen. Ik kan me nog goed herinneren hoe er jaren geleden bijna een oproer uitbrak in een bejaardenhuis in het Brabantse, omdat iemand in de kapel een altaardoek gebruikte waarop geborduurd stond: ‘De Heer staat aan de deur!’ Daar waren je helemaal nog niet aan toe!
Dat die betrekkelijk jonge leerlingen de vraag wel stellen, heeft - naast de omstandigheid dat Jezus hen op zijn afwezigheid voorbereidt - wellicht ook te maken met iets dat wij vaak over het hoofd zien. De dood was hun, die in Jezus’ tijd in het volle leven stonden, veel meer nabij dan aan ons als wij in het volle leven staan. Wij zijn er aan gewend dat we de zeventig, tachtig, of zelf negentig halen. Iemand die zestig is, is volgens ons nog niet oud. In Jezus’ tijd was de gemiddelde levensduur een jaar of dertig, en iemand van vijfenveertig was heel oud. Zelfs Jezus stierf - voor zijn tijd - niet zó jong! In die tijd was alles - ook het huwelijk en de huwelijkstrouw! - op een heel andere termijn gepland dan wij dat nu doen! De uiteindelijke levensvragen komen dan ook eerder aan bod!
Filippus’ vraag wordt hem niet helemaal in dank afgenomen. Jezus verwijt hem onbegrip. Als je bij Jezus bent, ben je al bij de vader. Het is in zijn gezelschap dus geen kwestie van nu niet en later wél bij de vader zijn. Bij Jezus zijn is al bij de vader zijn. Het ‘bij Jezus zijn’ is dan ook de weg naar de vader, en zo krijgt ook Thomas meteen antwoord op zijn vraag. Juist zoals het uit de werken van Jezus blijkt dat hij met de vader is, wiens werk hij namelijk doet, zo zal uit het werk dat zij in zijn naam doen, blijken dat ze met Jezus en dus met de vader zijn.
Een belangrijk antwoord voor hen, en ook voor ons. Het maakt hen klaar om in deze wereld verder te leven in Jezus’ afwezigheid en zonder God te zien. Het zal uit onze werken blijken dat de ‘God in Jezus’ in ons verblijft. Als we eenmaal die ruimte gevonden hebben, wordt het onze blijvende woning…