Zelfs Jezus lijkt er even wat nerveus bij te worden: ‘Ik ben al zo lang bij jullie, Filippus, en je hebt Me nog niet leren kennen?’ Nu Hij voor de laatste keer bij zijn leerlingen is, spreekt Hij over het diepste geheim dat Hem bezielt: zijn eenheid met de Vader. En zie, daar vallen plompverloren twee vragen van iemand die er blijkbaar niets van begrepen heeft: ‘Hoe zou de weg ons bekend zijn?’ en ‘Laat ons de Vader zien’. Toch hebben we aan Filippus’ tussenkomst een paar van Jezus’ bekendste aforismen te danken: ‘Ik ben de weg, en de waarheid en het leven’ en ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’. Dat alleen al wijst erop dat de vragen van Filippus niet zo dom zijn.
In feite stelt Filippus de twee grote godsdienstige vragen van alle tijden. Wie is God? En wat staat ons te doen? Een blik in de geschiedenis van de godsdiensten volstaat om te merken hoeveel angst mensen hebben uitgestaan omdat hun goden onbetrouwbaar, vreesaanjagend of zelfs zonder meer wreedaardig waren. Ook de bijbelse mens kent angst voor God. Wanneer God mensen benadert, moet Hij hen altijd eerst geruststellen: ‘Vrees niet.’ Zo doet ook Jezus, bij het begin van zijn afscheidsrede: ‘Jullie moeten je niet zo laten verontrusten.’ De geruststelling ligt in het feit dat God ten diepste is zoals wij Hem in Jezus van Nazaret hebben leren kennen. Maar juist dat is zo ongehoord: dat God zich in die mens Jezus op een onovertrefbare manier openbaart. Filippus’ vraag is helemaal niet overbodig of naast de kwestie. De Heer maakt dan ook van de gelegenheid gebruik om heel helder te zeggen waar het, in de omgang met Hem, uiteindelijk op aankomt. Het grote nieuws dat Hij brengt, is niet zozeer dat er ergens een God bestaat, maar wel dat Hij, de enige God, zich in zijn Zoon Jezus laat kennen: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’
De andere vraag is: wat staat ons te doen? Welke weg moeten wij gaan om ter bestemming te komen? De bijbelse mens is God dankbaar voor de gave van de wet, want nu weet hij tenminste wat hem te doen staat. Verderop zal Jezus uitgebreid ingaan op Filippus’ vraag. Alles zal cirkelen rond het ene gebod van de liefde. Hier volstaat Hij met zichzelf de weg, de waarheid en het leven te noemen. Zowel om te zien wie God is als om te weten wat ons te doen staat, dienen we naar Jezus te kijken.
Jezus weet ook wel dat Hij zijn leerlingen daarmee voor een zware uitdaging stelt. Hij weet dat het allemaal niet zo vanzelfsprekend is. Hij doet een beroep op hun geloof, op hun onvoorwaardelijk vertrouwen in Hem. Dat vertrouwen zal onmiddellijk na dat samenzijn nog wel zwaar op de proef gesteld worden. Maar toch gaat het tenslotte daarom: vertrouwen op wat Jezus zegt, Hem letterlijk op zijn woord nemen en daarbij ook kijken naar wat Hij gedaan heeft. Dat vertrouwen tovert Filippus’ vragen niet zomaar weg. Ook wie in Hem gelooft, zal altijd blijven vragen: ‘Heer, toon ons de Vader’ en: ‘Heer, leer ons uw wegen kennen.’…