Schapen zien ’s avonds uit naar de stal,
maar ’s morgens naar groene weiden.
Het verlangen naar veiligheid enerzijds
en naar echt leven anderzijds,
doet ons hunkeren naar een Kerk
die ons van de ene kant innerlijke structuur en leiding geeft,
maar langs de andere kant een grote openheid
op alles wat onze huidige, wijde wereld
aan echt leven te bieden heeft.
Elk tijdperk in de geschiedenis zal wel meer accent leggen
op het ene aspect zonder het andere te willen verwaarlozen.
Maar ik heb de indruk dat wij in onze tijd minder nood hebben
aan herders die ons naar de stal willen terugbrengen,
dan aan herders die ons naar nieuwe weiden kunnen voeren.
Het evangelie leert ons
dat beide echter alleen maar mogelijk worden
door een hechte verbondenheid met Jezus, de echte Herder,
die geen heerser is met macht, maar een belangeloze Leider,
een Dienaar die Zijn leven geeft.
Door die persoonlijke verbondenheid met Jezus’ dienstbaarheid
worden de schapen dus eigenlijk geroepen
om geen schaap te blijven,
maar om zelf herder te worden voor anderen,
de stal in en uit te gaan,
veiligheid te bieden én openheid op het leven
aan diegenen voor wie zij op hun beurt te zorgen hebben.
En gelukkig zijn er mensen
die dat voor ons hebben gedaan en nog doen,\
- anders zouden wij hier niet zitten - :
een eenvoudige huismoeder, een verpleegster toen wij ziek waren,
een echte vriend of vriendin.
Wij blijven de herders en de herderinnen van ons leven
diep dankbaar.
Maar ‘herder zijn’ is een gevaarlijke stiel.
niet alleen wegens uiterlijke bedreigingen, onweer of roofdieren,
maar veeleer wegens de innerlijke bekoring tot machtsdrang.
Want ‘macht’ is de dagelijkse verlokking voor elke herder,
voor al wie verantwoordelijkheid draagt over anderen:
ouders, opvoeders, dokters, diensthoofden, bureauchefs,
priesters, pastores, sociale helpers.
Uit welbedoeld plichtsbewustzijn nog wel
krijgen ‘verantwoordelijken’ namelijk regelmatig de neiging
om allereerst de reglementen van de dienst te willen verdedigen,
om te eisen dat het organisatieschema goed wordt gevolgd,
om te zorgen dat de wetten en de papieren in orde zijn.
En uiteindelijk zien zij dan niet meer op de eerste plaats
naar de mensen die voor hen staan en die hulp nodig hebben.
Meer dan bij anderen, dreigt
bij al wie verantwoordelijkheid draagt
steeds opnieuw de bekoring om eerst ruimte te veroveren
voor de idealen en de principes van de zaak,
in feite voor de zelf gevormde inzichten erover, dus voor zichzelf.
Deels onbewust, maar ook deels gewild,
komen zij ertoe om de mensen met hun eigenlijke noden
voor wie zij verantwoordelijk zijn,
wat weg te duwen, niet meer te laten meetellen,
in het ergste geval zelfs, af te schrijven of dood te verklaren.
De opdracht voor alle herders:
ouders, opvoeders, priesters, diensthoofden luidt steeds opnieuw:
de sluimerende behoefte aan macht uit te zuiveren
door echt te dienen en zijn eigen leven te geven.
En dit is nu de kern van elke geestelijke roeping.
Geestelijk of religieus geroepenen
doen meer dan een functie uitoefenen
als sociale helper of groepsanimator,
als leraar, ontwikkelingshelper of arts zonder grenzen.
Dat zouden ze allemaal wel kunnen.
Maar ‘herder zijn’ is geen supplementaire functie uitoefenen
naast de andere.
Het is de innerlijke houding van totale gegevenheid beleven
binnen elke functie, bij welk engagement ook.
Herders zijn, binnen al de taken die zij hebben,
vooral specialisten van mensenzorg
vanuit een hart dat mensen liefheeft zonder onderscheid te maken,
en dus de macht wil afleggen,
wil dienen en zijn leven wil geven.
Echt herderswerk zal dan ook vooral betekenen:
genezen, wassen, verzorgen, troosten,
verbinden, zoeken, luisteren, thuisbrengen,
verlossen van vervreemding, van eenzaamheid,
van benauwdheid, van manipulatie,
van uitbuiting, van onrecht.
en dat voor allen, zonder exclusiviteit, zonder uitsluiting.
Dus zullen de zwakkeren daar zeker ook bij zijn.
Herder zijn betekent: getuigen, niet met leer of redenering,
maar met voorbeeld, met heel het eigen leven.
Herder zijn op die manier, dat hebben wij begrepen,
daarvoor kies je niet alleen,
daarvoor word je ook gekozen, geroepen.
Jezus zegt er vandaag nog bij:
herder zijn is ‘deur zijn’,
toegang bieden naar de Vader, naar het leven,
om mensen echt mens te laten worden.
De Farizeeërs in Jezus’ en in onze tijd
zijn zij die de levensmogelijkheden eerder afsluiten.
Goede herders
worden een poort op het leven en openen perspectieven.
Wie wil zulke herder zijn in onze tijd?
Zij zijn er, die goede herders en herderinnen,
ook in onze geloofsgemeenschap van vandaag.
Het godsvolk moet ze wel durven herkennen
en op tijd aanwijzen.\