Zusters en broeders,
Moedeloos, verdrietig, kapot waren ze, Kleopas en Danijal, toen ze die namiddag vanuit Jeruzalem onderweg waren naar hun geboortedorp Emmaüs. Drie dagen en drie nachten hadden ze, samen met de apostelen en een tiental anderen van de 72 die Jezus indertijd had uitgezonden, vertwijfeld bijeengezeten in de bovenzaal waar Jezus enkele dagen voordien met de 12 het Pascha had gevierd. Na de viering waren die vreselijke dingen gebeurd, die onuitsprekelijke dingen die recht naar het kruis hadden geleid. Ze waren erbij geweest toen Hij veroordeeld werd. Tegen de hogepriesters in hadden ze geprobeerd het volk op hun hand te krijgen en Jezus te redden. Maar het was nutteloos geweest. Van op een afstand hadden ze zijn doodsstrijd gadegeslagen. Ze waren samen met Hem gestorven. Nee, ze waren niet dood, maar leven deden ze niet meer. Toen waren ze naar de bovenzaal gegaan. Verslagen druppelden nadien de apostelen en nog wat andere leerlingen binnen. Een hoopje ellende in een zee van verdriet. Wanhopig hadden ze herinneringen opgehaald aan de Meester. Zijn goedheid, zijn wijsheid, zijn kracht, zijn onwrikbaar geloof in de Vader, zijn liefde voor al wie leed, zijn wonderlijke omgang met zieken, melaatsen, gebrekkigen, armen, bezetenen. Zijn laatste Pascha. De 12 raakten er niet over uitgepraat: hoe Hij met een gewijd gebaar het brood had gezegend, het had gebroken en het hun had aangereikt, en hoe Hij daarbij onbegrijpelijke woorden had gesproken over dit brood dat zijn lichaam was, en over de wijn die zijn bloed was dat vergoten werd voor de zonden van velen.
Kleopas en Danijal bleven het onderweg maar herhalen: hoe kon dat nu? Waarom was de Meester vermoord? Zozeer waren ze in hun verdriet verdronken dat ze de vreemdeling aan hun zijde niet eens hadden gezien. Ze merkten hem pas op toen hij aarzelend vroeg: “Mannen, waarover heb je het eigenlijk?” Geërgerd, zelfs een beetje sarcastisch antwoordde Kleopas: “Jij bent zeker niet van deze wereld dat je niet weet wat er dezer dagen in Jeruzalem met Jezus is gebeurd.” De vreemdeling keek hem even van opzij aan en barstte toen in lachen uit. “Ik niet van deze wereld! Hoe kun je het weten, Kleopas!” Zijn lach galmde vrolijk in de warme avondlucht. “Nee, ik ben niet van deze wereld. Gelijk heb je, Kleopas.” En hij bleef maar lachen, alsof Kleopas een goeie grap verteld had.
“Waarom lacht die nu en blijft hij maar lachen?, dacht Kleopas. “En hoe kent hij mijn naam?” Hij wist niet of hij kwaad moest zijn of niet. “Natuurlijk weet ik wat er met Jezus gebeurd is”, zei de vreemdeling toen hij eenmaal uitgelachen was. “Maar je weet toch ook wat er in de Schriften over de Messias geschreven staat?” En beginnend met Mozes verklaarde hij alles wat de profeten ooit over hem hadden geschreven. En toen hij eindigde met de verzen van Jesaja, waarin over de Dienaar van Jahweh wordt gezegd dat Hij als een lam naar de slachting wordt geleid, hadden ze het al lang begrepen: de Messias moest lijden om in zijn glorie binnen te gaan. Getroost waren ze, en nog uren hadden ze willen luisteren naar die vreemdeling met zijn vrolijke lach, die vreemdeling die niet van deze wereld was. Dus nodigden ze Hem uit in het huis van Kleopas, want het werd al avond en de dag liep ten einde. En terwijl ze aan tafel aanlagen, nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe. “Dit kán niet,” dacht Kleopas ontredderd, “dit is het verhaal van de apostelen dat ik hier voor mijn ogen zie gebeuren.” En hij wierp zich op zijn knieën en huilend van geluk zei hij: “Mijn Heer en mijn God.” Maar de Vreemdeling was al verdwenen.
Zusters en broeders, 26 jaar geleden kruiste een vreemdeling uit Polen het pad van de Kerk. “Toch niet uit Polen, zeker! Uit Polen, kan daar iets goeds vandaan komen?” had Natanaël sarcastisch gevraagd. En die vreemdeling werd de leider van Gods Kerk. Met vallen en opstaan, zoals alle leiders voor hem. Maar toch vooral met opstaan, geloven, sterken, troosten, onophoudelijk hamerend op vrede, gelijkheid, rechtvaardigheid, broederlijkheid, hoop. En geloof en liefde, vooral geloof en liefde, de Liefde van God. Ik zou ons, het volk van God, willen toewensen dat Hij ons opnieuw zo’n vreemdeling zou zenden, een vreemdeling zoals die welke Kleopas en Danijal hebben ontmoet. Een vreemdeling die uitlegt, troost, sterkt, die hamert op vrede, gelijkheid, rechtvaardigheid, broederlijkheid, hoop. En geloof en liefde. Vooral geloof en liefde, de Liefde van God. God zelf.
En ik zou onszelf ook willen toewensen dat we zelf zo’n vreemdeling zouden zijn, een vreemdeling die geneest wie ziek is, troost waar verdriet is, sterkt waar zwakheid heeft toegeslagen, vrede brengt waar onvrede heerst en ijvert voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. En dat alles vanuit een onwrikbaar geloof, een geloof zoals dat van de vreemdeling uit Polen. En vanuit een zachte, begrijpende, warme liefde, de liefde van God. God zelf.
En ten slotte zou ik u en mezelf ook willen toewensen dat wijzelf zo’n vreemdeling zouden mogen ontmoeten wanneer we eraan toe zijn. Wanneer we nood hebben aan troost en kracht en hoop en begrip en broederlijkheid en rechtvaardigheid. Een vreemdeling die ons thuis brengt bij onszelf. Een vreemdeling die niet van deze wereld is, en die de wereld en ons toch zo eeuwig en liefdevol nabij is. Amen.