Als wij afscheid moeten nemen van mensen
die wij graag gezien hebben…,
mensen met wie wij geleefd hebben…,
dan doen wij dat met een zware pijn in ons hart…
Dan zijn wij van slag…
En héél spontaan beginnen de bittere vragen
te wriemelen in ons hart.
“Waarom laat God zoiets toe?
Hoe moet ik nu nog in Hem geloven?”
Met zulke vragen en zulke gedachten
waren ook die twee leerlingen op weg naar Emmaüs.
Drie jaar lang hadden zij Jezus gevolgd.
In het begin uit nieuwsgierigheid.
Na een korte tijd raakten ze door Hem geboeid.
Die Jezus zou hun Messiaanse verwachtingen vervullen.
Zijn leven, zijn woorden en zijn werken bewezen het.
Zij hebben in Hem geloofd.
En dan kwam zijn gruwelijke dood op Goede Vrijdag.
Nu heerste duisternis en wanhoop bij de leerlingen.
Zij begrepen er niks meer van.
Zij hadden Jezus zien sterven met hun eigen ogen…
En voor hen was alles gedaan…
En dan plotseling, op weg naar Emmaüs,
veranderde die wanhoop en die twijfel.
Wat was er dan gebeurd?
Zij hadden Jezus herkend!
Zij herkenden Hem aan het breken van het brood!
En dat terwijl het brood breken
in die tijd héél normaal was.
Iedereen deed het!
Het was zo gewoon als brood snijden voor ons.
De leerlingen hadden het Jezus ettelijke keren zien doen,
zonder dat hen iets bijzonders was opgevallen.
En nu inééns gingen hun ogen open!
Na Jezus’ dood.
Nu inééns zien ze wat Hij ermee bedoelt!
En dat niemand het doet zoals Hij!
Wat zagen ze dan?
Bij het laatste avondmaal
had hij het brood gebroken en gezegd:
“Dit is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt.
Doe dit om mij te gedenken.”
Toen hadden ze niet helemaal begrepen
wat Jezus daarmee bedoelde.
Alléén Johannes misschien.
In ieder geval vertelt Hij
op de plaats waar de andere evangelisten het hebben
over het breken van het brood,
dat Jezus zijn kleed aflegt
en de voeten van zijn apostelen wast.
Dat was in die tijd het het laagste werk dat je kon doen.
Zelfs een joodse slaaf hoefde zoiets nooit te doen.
Jezus deed dat wel.
Jezus boog zich voorover
en werd de dienaar van zijn leerlingen.
De leerlingen van Emmaüs herkenden Hem
aan het breken van het brood.
Nu pas zien ze wat Jezus bedoelde
met dat breken van het brood.
In dat breken van Hem zagen ze inééns
de dienaar die voeten waste,
de mens die zich liet kruisigen,
die zich liet breken voor hen.
In dat breken zagen ze ineens
zijn altijd klaar staan voor anderen,
zijn gevende handen,
zijn mildheid tegenover de overspelige vrouw,
dat nieuwe zicht dat Hij aan blinden gaf,
dat goede woord dat Hij aan doven gaf.
Zij zagen zijn dood, zijn liefde tot het uiterste toe.
Het was de Geest die in hen werkte.
Beetje bij beetje, en tot hun grote verwondering,
ontdekken zij in hun eigen dagelijkse leven
dat Jezus nog altijd áktief was op zijn eigen wijze,
ook al was hij dood en begraven…
Zij voelden opnieuw die levengevende kracht van Jezus
in hun leven, net zoals vroeger…
Beetje bij beetje werd hen duidelijk
dat Jezus wel dégelijk terug was,
ook al was het anders dan ervoor…
En zij werden helemaal overrompeld door dit gebeuren…
Deze ervaring werd voor hen hét teken, het ultieme bewijs,
van de grenzeloze goedheid en trouw van onze God…
Zij herkenden Hem aan het breken van het brood.
Dat was het!
Dat was zijn leven!
En Hij had gezegd: doe dit om Mij te gedenken!
Hiermee bedoelde Jezus niet alléén
dat breken van een stuk brood,
maar het breken van jezelf voor anderen.
Dát was zijn testament voor ons.
Dat was wat Hij zijn leerlingen had gevraagd.
Dat was wat hij hoopte dat zij zouden doen!
Dat was wat Hij hoopte dat wij zouden doen!
Het brood breken voor elkaar.
Onszelf breken voor elkaar.
Om elkaar tot leven te brengen.
Om elkaar vrede, liefde en verrijzenis te schenken.
Goede mensen,
als wij het brood zo voor elkaar breken,
leeft Jezus onder ons.
Anders niet.
3e zondag in de paastijd A (2005)
A-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit