Typisch is dat: zij herkenden hem aan het breken van het brood. Terwijl het brood breken in die tijd heel normaal was. Iedereen deed het. Het was net zo gewoon als brood snijden voor ons is. En je herkent iemand toch ook niet aan de manier waarop hij het brood snijdt. Die leerlingen hadden het Jezus ettelijke keren zien doen zonder dat hen iets bijzonders opgevallen was. En nu ineens gaan hun ogen open. Na Jezus’ dood. Nu ineens zien ze wat Hij ermee bedoelt en dat niemand het doet zoals Hij.
Wat zagen ze dan? Bij het laatste avondmaal had Hij brood gebroken en gezegd: dit is mijn lichaam, voor u gebroken. Doe dit na, had Hij eraan toegevoegd. Ze zullen toen niet helemaal doorzien hebben wat Jezus daarmee bedoelde. Een mooi symbool, hebben ze misschien gedacht.
Alleen Johannes had het door. Of misschien ook pas later. In ieder geval vertelt hij op de plaats waar de andere evangelisten het hebben over dat breken van het brood, dat Jezus zijn kleed aflegt en de voeten van zijn apostelen gaat wassen. Dat was in die tijd het vuilste en laagste werk dat je kon doen. Zelfs een joodse slaaf hoefde zoiets nooit te doen. Jezus deed dat wel. Hij wilde minder zijn dan de minste slaaf. Hij ging hun voeten wassen. Hij boog zich als een slaaf voorover, zo diep dat er eigenlijk niets van hem overbleef. Heel zijn menselijke waardigheid werd ontluisterd, gebroken. Alleen Petrus had door, dat dit eigenlijk niet kon. Hij weigerde. Nooit in de eeuwigheid zult gij mij de voeten wassen, zei hij. Hij begreep heel goed dat Jezus zich brak voor hem. Hij, de rabbi, de meester, de Heer, de mensenzoon, de Zoon van God, brak zich. En de andere evangelisten schrijven dat hij het brood brak en zei: dit ben Ik, voor u gebroken. Ook daar boog Hij zich naar Petrus toe, tot Hij brak.
De leerlingen van Emmaüs herkenden Hem aan het breken van het brood. Na zijn dood zien ze pas wat Jezus bedoelde met dat breken van het brood. In dat breken van Hem zagen ze ineens de slaaf, die voeten waste, de mens die zich liet kruisigen, liet breken voor hen. In dat breken zagen ze ineens zijn altijd klaar staan voor anderen, zijn gevende handen, zijn mildheid voor een overspelige, dat vergezicht dat Hij aan blinden gaf, dat goede woord, dat Hij aan doven gaf, zijn geweldloze weerbaarheid tegen alle corruptie. Zij zagen zijn dood, zijn liefde tot de dood.
Zij herkenden Hem aan het breken van het brood. Dat was het. Dat was zijn leven. En Hij had gezegd: doe dit na.
Niet alleen dat breken van een stuk brood, maar het breken van jezelf voor anderen. Dat was zijn testament geweest. Dat was wat hij hun had gevraagd. Dat was wat hij hoopte dat zij zouden doen. Dat wij zouden doen. Het brood breken voor elkaar. Niet als een stom en dood ritueel, maar als de formule van de vrede, de formule van geweldloosheid en liefde, en slavendienst, van dood en van verrijzenis. Ja ook van verrijzenis. Want als wij het brood zo voor elkaar breken leeft Jezus onder ons voort. Anders niet…