Van twijfel tot aanbidding

A-cyclus · Paastijd · 2e zondag van Pasen · wit

Tijdens een catecheseles zei me een kind van 11 jaar: “Mijnheer Pastoor, het is misschien vreemd, maar al die mooie verhalen over God, die wij van u en in de school horen, ik kan ze niet geloven. Ik weet heel goed dat ze waar zijn, maar ik kan ze niet geloven.” Een ander kind onderstreepte met een heel ernstig gezicht dit gezegde: “Ik kan het ook niet geloven, wij zien daarvan toch niets.”

Daar stond Thomas voor me. En zo ontmoet ik elke dag Thomas: goede mensen die met hun geloof geen weg weten. Maar de men­sen spreken hun twijfels niet zo open uit als deze kinderen. Zij zijn bang een slecht figuur te slaan; ze zijn bang dat ze niet meer als christenen beschouwd worden. Twijfels en vragen komen niet hier en daar voor, zij komen overal voor, bij alle mensen. Ook bij gelovigen, ook in onze parochie. Ons geloof is altijd in een nevel gehuld. Zonder twijfels zou ons geloof zeker naïef of onrijp blij­ven.

Ook de apostelen hebben hun twijfels gehad, dat staat heel duide­lijk in de evangelies. Matteüs zegt: “Toen zij Jezus zagen, wierpen zij zich in aanbidding neer. Sommigen echter twijfelden.” Lucas zegt: ‘In hun verbijstering en schrik meenden zij een geest te zien. Hij sprak tot hen: ‘Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart?’ Het zou zeer verwonderlijk zijn geweest als er bij hen geen twijfel zou zijn opgekomen. Dat was toch tegen elke menselijke ervaring in. Hoe kan iemand van de doden op­staan? Zo gezien twijfelt Thomas echt. Hij laat zich niets wijsma­ken, hij gebruikt zijn gezond verstand. Geloven betekent toch niet zijn ogen dicht doen en zijn denken opgeven. Thomas zoekt een weg naar het geloof. Hij vraagt handvaste bewijzen. De andere leerlingen sluiten Thomas niet uit. Zij aanvaarden zijn vragen, zij nemen zijn twijfels ernstig. Tijdens die gedachtewisseling komt Jezus binnen. ‘Bij gesloten deuren’, zegt Johannes om de situatie te beschrijven van de leerlingen. Zij waren afgegrendelde mensen, opgesloten in hun eigen problemen. En Jezus gaat direct naar Thomas, en nodigt hem zacht vermanend uit: ‘Kom, steek je hand in mijn zijde.’ Laat de taal van de liefde en van het geloof spreken, en niet die van het verstand alleen. En Thomas geeft zich gewonnen. Hij die Jezus wilde grijpen, wordt zelf door Jezus ge­grepen. Nergens in het evangelie wordt een geloofsbelijdenis zo direct en zo persoonlijk uitgesproken als hier: “Mijn Heer en mijn God!”

De grootste twijfelaar spreekt de geloofsbelijdenis het duidelijkste uit. Wie de twijfel niet verdringt, maar binnen de gelovige gemeenschap weet te brengen, komt tot een vast geloof. Kunnen velen van ons zich niet terugvinden in deze gelovig geworden Tho­mas? Het is niet dat wij niet willen geloven, maar we kunnen het vaak zo moeilijk. Plotseling steken we in een geloofscrisis en wij weten niet meer hoe we eruit kunnen raken. De twijfels hoeven ons nog helemaal niet tot vertwijfeling te brengen, ze kunnen ons geloof ook sterken. Het is niet zo erg dat wij soms vragen stellen aan God. Het zou alleen maar erg zijn als we met God niets meer te doen wilden hebben, als wij zouden ophouden met God te zoe­ken.

Wij kunnen veel van Thomas leren. Hij bleef niet alleen met zijn twijfels rondlopen, hij zocht de gemeenschap op, hij zocht naar een ontmoeting met Jezus. Hij heeft zijn twijfels laten uitgroeien tot de mooiste geloofsbelijdenis. Zo ook moeten wij nooit aan de twijfel het laatste woord laten. Wij moeten ons ongeloof laten genezen door de biddende gemeenschap. Het moet voor ons vol­doende zijn als wij Zijn woord horen en Zijn aanwezigheid erva­ren in de Eucharistie. Dan zal de Heer ook ons zwak geloof gene­zen en het laten rijpen tot een persoonlijke geloofsbelijdenis: Mijn Heer en mijn God…

Zoeken in Preken Online