Laten we nu eens niet praten over die ongelovige Tomas. We weten trouwens helemaal niet of het evangelie ons wil zeggen dat Tomas zo ongelovig was. Want als we nu eens goed kijken naar wat Tomas vraagt dan blijkt dat hij vraagt om iets dat alle oude wonden openscheurt. ‘Ik wil het gat van de spijkers zien, ik wil mijn vinger steken in het gat dat de spijkers hebben gemaakt. Ik wil mijn hand leggen in de wond van zijn zij.’ Tomas wil het litteken niet alleen zien, maar ook voelen. Tomas vraagt om iets dat alle oude wonden openscheurt.
Waarschijnlijk zal hij die wonden allemaal gezien hebben. Hij zal ook wel stiekem op de Calvarieberg gekeken hebben. En toen heeft hij zich vol afschuw afgewend. Iemand die zo mislukt is, kan het niet zijn. Iedere hamerslag op de Calvarieberg had zijn geloof in Jezus verder kapot geslagen.
Na de verrijzenis van Jezus hebben alle apostelen de neiging om die hele geschiedenis van de kruisiging helemaal te vergeten. Alleen Tomas niet. Hij rakelt het hele verschrikkelijke verleden op. Wij mogen dan zeggen dat hij een ongelovige Tomas was, maar hij was dat alleen maar in eerste instantie. Dat was hij, net als de andere apostelen, toen hij voor het eerst die wonden zag. Vol afschuw heeft hij zich toen afgewend van Jezus. Een wereldhervormer, die machteloos, ten diepste vernederd, als een slaaf sterft… Een verlosser die schreeuwend aan een kruis sterft… Dat kon Tomas niet meer aan. Althans in eerste instantie niet.
Maar nu komt hij erop terug. Terwijl de andere leerlingen jubelen over hun verheerlijkte Heer, en zijn totale mislukking helemaal vergeten zijn, komt Tomas met zijn vraag: als ik mijn vinger niet kan steken in de wonden van Zijn handen, als ik mijn hand niet kan steken in de wonde van Zijn zijde, zal ik niet geloven.
Hij gelooft niet in een verheerlijkte Heer zonder wonden. Hij wil er zijn vinger insteken, zijn hand inleggen, die wonden wil hij voelen.
Ja, er is iets veranderd in Tomas. En daar kan hij ons blij mee maken. De wonden, die hem eerst zijn geloof hadden afgenomen, zijn nu voor hem anders geworden. Tomas kan niet geloven in een Heer zonder wonden; Tomas kan alleen geloven in een Heer met wonden. En dat is knap van Tomas, want wij hebben er ook moeite mee in het negatieve het positieve te ontdekken. Wij hebben er ook moeite mee te geloven als er veel narigheid is in ons leven. Wij hebben er moeite mee enthousiast te doen met mensen die doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is.
En dat is precies wat Tomas tegen zijn vrienden zegt. Hij zegt: jullie mogen het verleden niet vergeten, jullie mogen zijn wonden niet vergeten. Wat Tomas in tweede instantie doet is zeggen tegen een gekruisigde: ‘Mijn Heer, en mijn God'.
Deze Tomas kennen wij terug in onszelf. Eerst zeggen wij bij narigheid en verdriet en ziekte en dood: wij kunnen niet geloven. En dan later, achteraf, zeggen wij: ik geloof dat het goed was. Dus de oorzaak van je ongeloof kon wel eens de oorzaak van je geloof worden. Met andere woorden: het kon wel eens zijn dat de reden waarom wij zo moeilijk kunnen geloven, waarom wij misschien ons geloof helemaal kwijt zijn, dat die reden straks de oorzaak voor een nieuw, verdiept geloof wordt.
Als wij ons geloof helemaal of bijna helemaal kwijt zijn: er komt een later, waarin wij alles anders zullen gaan zien. Laten wij hopen dat dat ‘later’ spoedig komt…