Openbaring van de Heer Cyclus A 2014 Eph 3, 2-3a.5-6
Mt 2, 1-12
Een nieuwe gerichtheid
Beste vrienden,
Rond Nieuwjaar maken wij, en ook onze kerk, doorgaans de balans op van al datgene wat wij in het voorbije jaar hebben verwezenlijkt. En ook voor de kerk is die balans niet altijd rooskleurig. Enerzijds moeten de kassiers van de bisdommen telkens weer vaststellen dat de inkomsten achteruitgaan, en dat ze dus hun budgetten naar onder moeten aanpassen en anderzijds moeten ze ook weer telkens vaststellen dat het aantal regelmatige kerkgangers terugloopt. En dan moeten we ons toch afvragen: „Wat doen we verkeerd?“ „Wat doet onze Kerk verkeerd?”
Wanneer we de erediensten, dopen, huwelijken en begrafenissen in ons kerkje hier bekijken, kunnen we die algemene indruk helemaal niet bevestigen, maar ook hier moeten we ons afvragen: Waar vinden we de jeugd in onze vieringen? Wat zal er gebeuren wanneer de oudere generatie, waartoe de meesten onder ons toch behoren, er niet meer is? Wanneer we op de dag van vandaag de bevolking van de scholen bekijken krijgen we toch ook hetzelfde inzicht: er is amper nog iemand te vinden die nog werkelijk in het geloof en in de parochiegemeenschap geworteld is – de meesten lijken wel ondergedoken…
Wat gebeurt er toch met de kerk en met die goede boodschap van het Evangelie? Waarom hebben ze zo zeer aan aantrekkingskracht ingeboet? Wat moeten wij anders en beter aanpakken opdat we de mensen terug zouden boeien en opdat Gods boodschap terug zou aanslaan?
De ene of de andere zal nu misschien zeggen. De Kerk is niet meer „in“, maar dat wil daarom nog niet zeggen dat het geloof zelf ook „out“ is. Uiteraard moeten wij daar een onderscheid maken. Er zijn veel zelf veroorzaakte oorzaken voor het feit dat vele gelovigen zich van de kerk hebben gedistantieerd. Van de andere kant mogen we onszelf ook niets wijsmaken, want ik merk toch bij mijn kontakten met vele tijdgenoten dat hun afscheid van de kerk meestal toch ook met een afscheid van het geloof gepaard gaat.
Maar wat heeft dat alles eigenlijk met het feest van de openbaring van de Heer te doen, hoor ik u vragen? Noch de boodschap van Kerstmis, noch die van de feestdag van vandaag, zullen ons de oplossing van dat raadsel brengen. Maar wat die boodschap wel kan, dat is ons een reële kijk geven op onze situatie: Daar komen mensen uit verre landen en zoeken naar het doel van hun verlangen: ze zoeken een redder. Niemand heeft hen geroepen, er is geen reclamecampagne gevoerd en er was ook geen pastoraal plan om hen tot hier te krijgen. Ze zijn gewoon gekomen omdat Gods ster hen naar hier heeft geleid! De evangelist vat hier gewoon samen wat de eerste christenen in hun tijd meemaken: Mensen uit alle hoeken van de toen gekende wereld worden door de boodschap van het Evangelie aangetrokken. En waarom? Hadden de apostelen dan een speciale en zeer efficiënte missioneringsstrategie? Een zeer goede marketing? In de handelingen van de apostelen lezen we telkens weer dat de leerlingen, dikwijls tegen hun zin, door de Geest worden aangespoord om ook buiten hun enge kring, buiten Israël, te missioneren en de boodschap ook aan de heidenen te verkondigen. De heidense Centurion Cornelius komt zelf naar Petrus, en die weet gewoon niet wat hem gebeurt. Hij kan niet anders meer als met Cornelius te praten. Hij, als jood, die anders nooit het huis van een heiden zou hebben betreden. Of nemen we Paulus, die zegt zelf toch telkens weer hoe zeer de Heer hem in Damascus in het stof had gedwongen, opdat hij zou begrijpen wat zijn zending en zijn opdracht was. Hoe klonk het in de brief aan de Efeziërs? Het is en blijft Gods geheim, dat mensen telkens weer de gemeenschap en het evangelie ontdekken. En dat geheim dien ik, zegt Paulus. Maar het is God zelf die het geloof en de hoop in de mensen wekt: ook in ons!
Wanneer ik daar even dieper over nadenk, dan verandert dat mijn gerichtheid. In plaats van gericht te zijn op teleurstellende verwachtingen, op de moeilijkheden in de kerk en op de vraag wat we daartegen zouden kunnen doen, richt ik mijn blik nu eerder op dat geheim, dat God ook vandaag nog telkens weer mensen tot geloof brengt en tot geloof roept.
Ik heb het toch ook mogen meemaken dat mensen, die reeds sinds vele jaren de kerk hadden verlaten, de weg naar de kerk en naar het geloof terug hebben gevonden. Ik weet niet of het was omdat de redenen, waarom ze toen de kerk de rug hebben gekeerd, intussen weggenomen waren, of omdat ze nu één en ander in een heel ander licht kunnen zien.
Hoeveel jonge mensen zetten zich ook nu nog enthousiast in voor de Wereldjongerendagen, offeren maandenlang elke vrije minuut op aan de voorbereiding ervan. Ze doen dat omdat het hun nauw aan het hart ligt en ze het belangrijk vinden, ook voor hun eigen leven.
We kunnen toch ook telkens weer vaststellen dat mensen de tijd nemen om zieken of ouden van dagen te bezoeken; dat ze de tijd nemen om hier en daar, waar nood aan de man is, iemand te helpen of bij te staan. Waarom doen die mensen dat? Niemand van ons heeft hen daartoe verplicht of het hen gevraagd. Ze doen het, omdat God hen daartoe heeft gemotiveerd.
Kort geleden hebben we het grote hart van onze mensen voor de slachtoffers van de Tyfoon in de Filipijnen mogen beleven. Een bereidschap tot helpen die zich niet alleen in bare munt heeft geuit, maar die de verschillende religieuze gemeenschappen ook dichter bij elkaar brengt. Organisaties als B-fast, het rode kruis, legereenheden uit diverse landen en talrijke verschillende religieuze organisaties hebben hand in hand gewerkt, en doen dat nog steeds, om de nood van de mensen ter plaatse te lenigen. Een ster, die te midden van al die ellende aan de hemel kan schitteren.
En dat wij zelf dat geloof, dat ons leven draagt, hebben gevonden, is dat ook niet een reden tot blijdschap? „Toen ze op de plaats kwamen, waar het kind zich bevond, werden ze door vreugde overmand.”
Beste vrienden, de ster heeft ook ons geleid; wij horen ook bij diegenen die alles zo maar cadeau hebben gekregen. Waarom kunnen wij ons daar dan niet over verheugen?
Begrijp me niet verkeerd. Met deze argumentatie wil ik het feit dat nog steeds vele mensen de kerk verlaten helemaal niet onder het tapijt keren maar het ook niet overdrijven. Dat probleem moet voor ons en voor de Kerk een voortdurende uitdaging en een continue opdracht blijven. Maar we mogen dit probleem niet aanpakken zoals vertegenwoordigers, die hun omzet zien dalen en dan nog snel iets willen redden, maar als mensen die een geschenk hebben ontvangen, voor wie het licht van het evangelie is opgegaan, en die hun vreugde daarover met alle anderen willen delen.
De boodschap van dit feest zou ons vertrouwen moeten sterken dat de ster van God ook vandaag nog de mensen leidt; dat Hij, wanneer wij als Kerk geen licht meer zien, ons nieuwe wegen toont naar de mensen toe. Die nieuwe wegen moeten we gaan, en ons niet krampachtig aan de oude platgetreden paden vastklampen. God staat ons bij. Zijn Geest waait ook vandaag nog zeer gericht, maar zeker niet altijd daar en op de manier hoe wij het graag zouden hebben of hoe wij het ons voorstellen.
Amen