Doop van de Heer – jaar A

A-cyclus · Kersttijd · Doopsel van christus · wit

Doopsel van Christus 2014 (Mt. 3, 13-17)

Tielt, 12 januari 2014

Vroeger werden de kinderen gedoopt zo vlug mogelijk na de geboorte. Dat was vanzelfsprekend. Want toen waren al onze bekenden, vrienden en familieleden lid van de Kerk. Als je ouders katholiek waren, werd je daar automatisch lid van.

En de greep van de Kerk op de mensen was groot. Het was verboden niet-katholieke kranten te lezen en er bestond een index van verboden boeken. Bij de verkiezingen moest je voor een katholieke partij stemmen.

Die massakerk doopte zomaar iedereen. Theologen haalden hun zwaarste geschut in stelling, want op ieder kind drukte de zware last van de erfzonde. Loodzwaar waren de teksten van het doopritueel, dat over het kind de woorden liet horen: “Ga weg, Satan, uit dit mensenkind.” Een ongedoopt kind moest wel niet naar de hel, maar naar het voorgeborchte, dat ondertussen afgeschaft is.

In zo een Kerk was de kinderdoop, zo gauw mogelijk na de geboorte, voor iedereen niet alleen verplicht, maar vanzelfsprekend.

Deze Kerk had veel voordelen, zoals zekerheid en veiligheid. Maar zij had ook nadelen: veel gelovigen tegen wil en dank, veel kerkbezoekers op zondag, ook tegen wil en dank. Veel kerkgangers kwamen te laat : als je er was voor de offerande en bleef tot aan de communie, had je voldaan aan je zondagsplicht. Het belgerinkel voor de communie was voor een derde van de mensen het sein voor de aftocht. Er liep in vele kerken ook een suisse rond: een soort kerkelijke politieagent in een indrukwekkend uniform met een grote piek in de hand. Als kind hadden wij schrik van die man, bijna meer dan van een rijkswachter met matrak en revolver. Die man had de taak niet de mensen te doen bidden of te doen zingen, maar wel ervoor te zorgen dat ze niet stoorden. En er waren nogal wat stoorzenders onder de aanwezige zogezegde gelovige kerkmensen. Als je al het nieuws wou weten over de sportuitslagen, over de duiven of over de prijs van de varkens en de koeien, was je in de tweede helft van de kerk op je plaats: the place to be!

Blijkbaar was bij velen van die zogezegde gelovige mensen ook niet veel van dat geloof te merken in hun dagelijkse leven. Je hoeft geen heimwee te hebben naar bepaalde morele en sociale misstanden, naar de armoede die vele mensen kenden, naar de situatie van sommige vrouwen, enz…

Nu zijn we op een breukvlak gekomen: als je nu naar de kerk gaat en consequent je geloof poogt te beleven, ben je in sommige wijken en families een uitzondering, een rare vogel.

Geen wonder dat de kinderdoop niet meer zo vanzelfsprekend is.

Daarom moeten we nog niet onmiddellijk besluiten dat we moeten wachten totdat het kind volwassen is. Maar thans geven de bisdommen richtlijnen voor de ouders die kun kindje willen laten dopen. Het moet van de kant van de ouders een bewuste keuze worden. Daarom moet er eerst een serieus gesprek zijn met de doopheer of met mensen uit de doopselcatechese. Want wat zin heeft het een kind te dopen, het op te nemen in de geloofsgemeenschap, als ouders zelf er niet in geloven en niet bereid zijn zelf dat geloof te beleven en voor te leven?

Ik weet wel, sommige ouders zullen daartoe niet bereid zijn en zal hun kind niet meer gedoopt worden. Dat is niet erg. Het wordt een uitzuiveringsproces om te gaan naar een nieuwe Kerk, een Kerk van gelovigen, niet tegen wil en dank, maar van oprechte liefde, vrijheid en vreugde. Geen massakerk meer, - als die ooit zou bestaan hebben! - maar een Kerk van de heilige rest.

Een Kerk met veel minder macht. Misschien best ook! We hebben in de laatste jaren gezien waartoe dat soms geleid heeft.

We hoeven niet erover te zeuren dat de Kerk nu een toontje lager zingt. Wie heeft er gezegd dat de Kerk altijd het hoogste en laatste woord moet hebben? Jezus niet!

We hoeven niet te jammeren dat de tijd van de volle kerken voorbij is. Wie heeft er gezegd dat de Kerk groot moet zijn? Jezus niet! Integendeel! Hij sprak altijd van de kleine kudde die Hem volgen zou.

We hoeven niet erom te treuren dat ons zoveel zekerheden uit handen worden geslagen. Wie heeft er gezegd dat de Kerk rijk aan zekerheden moet zijn? Jezus niet! Jezus preekt geen zekerheden, maar zaligheden.

We hoeven ons niet zozeer druk te maken over hoeveel mensen er naar de kerk komen, maar wel hoe ze eruit komen. Merk je dat ze geïnspireerd en gevoed zijn om hun geloof te beleven in daden van menslievendheid en dat wie zo leeft zelf gelukkig is en een bron van geluk voor de anderen?

Het is dan ook niet erg dat er veel minder kinderen gedoopt worden, als tenminste wie gedoopt is dat geloof poogt te beleven.

Niet erg ook dat er minder eerstecommunicanten en vormelingen zijn. Misschien zullen degenen die er zijn, het niet doen voor het feest, maar voor de geest. En daarover gaat het toch!

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online