Doop van de Heer Cyclus A 2014 Jes 42, 5a.1-4.6-7
Ev.: Mt 3, 13-17
Een onvoorwaardelijk JA van en voor God!
Beste vrienden,
Kennen jullie dat ook? Iemand zegt: „ na U!” en je wilt hoffelijk zijn en antwoordt: „neen, na U“, en van louter hoffelijkheid durft dan plots geen van beide nog de eerste stap te doen. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook: elk van beide vindt zichzelf belangrijker en voornamer dan de andere waardoor geen van beide de andere wil voorlaten. En wanneer jullie nu denken dat we alle variaties hebben doorgenomen, dan moet ik u teleurstellen. Er is namelijk nog een belangrijke groep die we zeker niet mogen vergeten: dat is de groep die we best met „valse bescheidenheid“ zouden omschrijven. Daarmee bedoel ik dat iemand zich demonstratief op de laatste plaats neerzet of zichzelf schijnbaar voor heel onbelangrijk aanziet, maar in het geniep toch heel graag zou hebben dat men hem dan voor alle mensen naar voren zou halen en op een ereplaats zetten. Op die manier trekt men dan alle belangstelling naar zich toe – tot zover de bescheidenheid! Wat Johannes de Doper daar aan de Jordaan doet lijkt op het eerste gezicht ook valse bescheidenheid te zijn. Want bescheiden was Johannes zeker niet! In tegendeel: Die roeper in de woestijn liep bijna over van zelfbewustzijn. Hoe heeft hij niet open en onverbloemd de voornaamsten onder de voornamen en de vroomsten onder de vromen de levieten gelezen. Hen met de neus op hun fouten en misstappen gedrukt. Hen hun huichelarij verweten en hen met duidelijke woorden in het openbaar tot omkeer aangespoord. Neen, Johannes heeft nooit een blad voor de mond genomen en uiteindelijk heeft juist die openheid en die driestheid tot zijn ondergang geleid.
Maar nu Jezus plots voor hem staat wordt hij ineens heel bescheiden: “Ik zou door jou moeten worden gedoopt, en jij komt hier bij mij? En wie Johannes kent, die voelt onmiddellijk aan dat dit geen valse bescheidenheid is, maar echte ontsteltenis. Want Johannes doopt de mensen als teken van hun omkeer, als teken daarvoor dat ze nu met een propere lei en zonder schuld verder kunnen en mogen leven. En hij weet zelf ook zeer goed dat geen enkel mens zonder schuld is, ook hijzelf niet. Maar degene die nu voor hem staat, die is werkelijk vrij van schuld en die vraagt hem nu om ook gedoopt te worden. Ik kan goed begrijpen dat Johannes innerlijk verbouwereerd is. Juist omdat hij een mens met een gezond zelfbewustzijn is, kent hij ook zijn grenzen en kan hij eerlijk en zonder bijbedoelingen zeggen: “Neen, ik niet, jij zou mij moeten dopen.” Een echt gezond zelfbewustzijn kent zijn eigen grenzen, het kent zijn eigen zwakheden en fouten. Dat moet niet verdrongen worden en zeker niet achter valse bescheidenheid worden verstopt. Wie werkelijk zelfbewust is kan ook relativeren. Want relativeren betekent toch niets anders dan “iets in het juiste perspectief plaatsen.” En omdat Johannes weet, of op zijn minst vermoedt wie die Jezus is, weet hij ook dat hij zichzelf niet te kort doet wanneer hij zegt: “Deze hier is groter dan ik!”
En hoe reageert Jezus daar op? Is dat ook geen valse bescheidenheid wanneer Hij, die toch duidelijk diegene is die alleen het recht heeft om alle anderen te dopen, er toch op staat dat Hijzelf door Johannes zou worden gedoopt? Zo naar het motto: “Na U!” – “”O neen, na U!”
Ook bij Jezus, en dat moeten we noteren, is het geen show en ook geen valse bescheidenheid wanneer Hij Johannes om deze dienst vraagt. “Laat nu maar”, door die woorden wordt ons duidelijk dat het Jezus om iets heel anders te doen is. Hij wil ons duidelijk maken dat iedere, absoluut iedere mens van God een roeping heeft gekregen en dat het erom gaat die roeping ook aan te nemen en vooral ook waar te nemen. Jezus maakt het voor Johannes, en door hem ook voor alle andere mensen duidelijk: Jullie kunnen niet verwachten dat, nu God zelf in jullie midden vertoeft, Hij alles zelf in de hand zal nemen en voor jullie zal regelen. Neen, God wil dat jullie zelf ook jullie bijdrage levert om deze wereld te veranderen in een wereld van gerechtigheid en vrede. Is het in werkelijkheid niet zo dat vele mensen in hun leven zo handelen, dat ze naar God toe komen wanneer ze een probleem hebben, wanneer ze met leed en verdriet worden geconfronteerd en niet meer weten wat te doen?
Versta me nu niet verkeerd; dat is zeker geen verwijt. Integendeel, het is volledig OK, daar zijn we als Kerk voor. Maar we mogen ook niet verwachten dat we alleen maar tot bij God moet komen, in de kerk misschien nog een kaarsje aansteken en dat Hij het dan wel allemaal in orde zal maken. Neen, we moeten ook onze eigen wilskracht en kennis gebruiken om onze wereld menselijker, beter en rechtvaardiger te maken – ook wanneer het om ons eigen leven gaat.
Die taak neemt God ons niet uit de hand. Door het feit dat Hij in onze wereld gekomen is, wil Hij ons zelfbewustzijn op dit vlak sterken. Hij wil ons duidelijk maken dat wij er een belangrijke bijdrage kunnen en moeten leveren om onze wereld op een positieve manier voorwaarts te helpen en dat kunnen we het beste wanneer we dat doen wat Hij van ons verwacht. Dus moeten wij ons telkens weer afvragen: “Heer God, wat wilt ge dat ik doe? Wat kan ik, wat moet ik in deze of gene situatie doen? Wanneer Jezus zich in de Jordaan laat dopen, dan is dat alleen maar opdat U en ik zouden begrijpen wat er in het doopsel gebeurt, wat ook bij ons doopsel is gebeurd. Net zoals God toen tot Jezus heeft gesproken: “Deze is mijn welbeminde Zoon”, zo heeft hij ons, bij ons doopsel, ook aangesproken en gezegd: “Dit is mijn welbeminde dochter, dit is mijn welbeminde zoon!” Het is een onvoorwaardelijk “JA” van God voor ieder van ons. Daarom mogen we ons terecht “Kinderen van God” noemen. Hij heeft ons aangenomen en ons zijn JA woord gegeven:
Een JA dat niet eindigt aan religieuze of nationale grenzen;
Een JA, dat geen uitgeholde of lege beloftes doet;
Een JA, dat ons terug opricht wanneer we gevallen zijn;
Een JA, dat de brokstukken van ons leven verzamelt, terug heelt en tot een geheel samenvoegt;
Een JA dat onze blindheid heelt, de ogen van ons hart en ook de ogen van de liefde terug opent;
Een JA dat ons bevrijdt uit engheid, verlamming, blokkades en geweld en ons de open hemel toont. Een JA dat ons er tenslotte toe aanmoedigt om ons eigen, persoonlijk antwoord op Zijn JA te geven.
Door dit JA van God zelf hebben we niet alleen een unieke waardigheid, maar ook een grote verantwoordelijkheid op onze schouders gekregen; de verantwoordelijkheid om het Rijk Gods hier op aarde zichtbaar te maken. Die verantwoordelijkheid kunnen we niet meer gewoon op God afschuiven zo naar het motto: “Na U!”, neen, wij zijn er mee verantwoordelijk voor dat zijn woord ook vandaag weer vervuld wordt – door ons JA tegenover Hem. Dat JA tegenover God lukt ons niet altijd, dat weten jullie even goed als ik! Maar we kunnen en we moeten het toch altijd weer proberen. Ook dan zegt God altijd weer JA – onvoorwaardelijk. Amen.