“Ik heb úw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?”
Zusters en broeders, in dat zinnetje ligt de intense verbazing van Johannes de Doper vervat. Hij zegt immers: “Ik doop u met water, maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn sandalen te ontdoen.” En nu komt die Sterkere zich bij hem laten dopen. Daar kan hij niet bij. En het ís ook merkwaardig: Jezus is immers zonder zonde. Dat Hij zich toch laat dopen, is dus zeker niet alleen een eerbetoon aan de inzet en de gedrevenheid van Johannes; het is tegelijk een beklemtoning van het doopsel zelf. Ook voor ons. Want tot op vandaag blijft de uitdrukkelijke opdracht gelden die Jezus aan zijn leerlingen gaf: “Ga en maak alle volkeren tot mijn leerlingen, en doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.”
Zusters en broeders, het doopsel is het eerste sacrament dat we ontvangen, en het is meteen onuitwisbaar. Het is ook een noodzakelijk sacrament, want zonder doopsel kunnen we niet gevormd worden, het sacrament van de verzoening of de ziekenzalving ontvangen, eucharistie vieren, een kerkelijk huwelijk aangaan of priester worden - mannen althans, want gedoopte vrouwen zullen daar wellicht nog een tijdje op moeten wachten. Hoe belangrijk het doopsel wel is, mag ook blijken uit het feit dat in nood iedereen mag dopen, ten minste als het met een oprechte bedoeling gebeurt en het niet ingaat tegen de wil van de ouders. Je weet wellicht nog welke idee daar vroeger achter stak: een kind werd geboren met de smet van de erfzonde, dus moest ten allen prijze vermeden worden dat het ongedoopt kwam te sterven, want dan kon het niet in de hemel komen. Het was veroordeeld om tot het einde der tijden te wachten op de uiteindelijke verlossing.
Dat is natuurlijk fout. Het doopsel is geen ontsmetting of iets in die aard. Ieder mensenkind is een kind van God, of het gedoopt is of niet. Ieder leven is een geschenk van God, en bij elke geboorte zegt God: “Gij zijt mijn kind, en Ik heb u lief. Met al mijn kinderen staat gij geschreven in de palm van mijn hand.” Heeft het doopsel dan geen zin? Natuurlijk wel. Het is de uitdrukkelijke bevestiging voor de dopeling en voor de kerkgemeenschap dat hij of zij door God wordt aangenomen als zijn kind. En tegelijk maakt de dopeling deel uit van de gemeenschap met Jezus. En verder geeft het doopsel kracht en genade om goede wegen te gaan. Maar ‘genade’, wat moeten we ons daarbij voorstellen?
Zusters en broeders, ik weet niet of je er ooit aan gedacht hebt dat het woord ‘doping’ afgeleid is van ‘dopen’. Je weet dat doping te maken heeft met stimulerende middelen. Die worden ingenomen of ingespoten met de bedoeling de prestaties te verhogen. Welnu, dat is de genade die we bij ons doopsel ontvangen: een stimulerend middel om goede wegen te gaan. En hoe die wegen eruitzien, horen we bij Jesaja in de eerste lezing. Hij heeft het over de Dienaar van God, over wie de Heer zijn Geest uitstort, zodat Hij gerechtigheid laat stralen over de volkeren. ‘Gerechtigheid laten stralen’, dat is de opdracht die we bij ons doopsel krijgen, en daartoe krijgen we ook de nodige genade, de nodige doping. Genade, doping om te zijn en te doen als die Dienaar over wie Jesaja het heeft: “Hij roept niet, Hij schreeuwt niet en op straat verheft Hij zijn stem niet. Het geknakte riet zal Hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven.”
Zusters en broeders, ik denk dat onze wereld, dat onze gemeenschap, dat wijzelf nood hebben aan zulke mensen. Ik denk ook dat het nodig is dat wij zulke mensen worden. Mensen die niet roepen en schreeuwen, maar die zachtmoedig met elkaar omgaan. Mensen die niet dieper pletten wie en wat al in de put zit, maar die alleen maar liefdevol tussenbeide komen. Mensen die niet breken wat niet wil buigen, maar die zachtaardig aanraken en bemoedigen. Mensen die niet aan de kant staan te schreeuwen dat de wereld slecht is, en die voor de rest niets doen, maar mensen die in stilte en in geloof middenin die wereld gaan staan en werken aan de verbetering ervan. Mensen die gegrepen worden door onrecht, die niet doof zijn voor het vragen van anderen en niet blind voor de pijn van hun naaste. Mensen die nu bijvoorbeeld niet onverschillig blijven bij de ellende in Zuidoost-Azië, maar die willen breken en delen.
Mensen die, in één woord, leven als Gods veelgeliefd kind, en die “Gods gerechtigheid laten stralen”. Daartoe zijn we gedoopt, en daartoe hebben we door ons doopsel de nodige doping, de nodige genade ontvangen. Amen.