A blessing in disguise. Dat is wat de Engelsen zeggen als er iets gebeurt, als jóu iets overkomt, waar je niet blij mee bent of wat zelfs verschrikkelijk is … maar op den duur blijkt er toch een bijzonder positief effect is. A blessing in disguise, “een zegen in vermomming”, zo kun je het vertalen - dáárvan is sprake in het leven van Sint-Patrick, de man die in de vijfde eeuw het christelijk geloof naar Ierland heeft gebracht en het daar heeft verspreid[2].
Hij kwam uit Engeland. In die tijd waren de Romeinen daar de baas. Patrick was van een nette familie. Ze waren christenen, maar het geloof interesseerde Patrick niet zoveel. Hij ging naar school en deed zijn best. Op een dag kwam er echter plotseling een eind aan zijn fijne en rustige leven. Ierse piraten kwamen aan land. Ze kwamen om te roven: vee, kostbaarheden en ook mensen. Zo werd Patrick een slaaf, in Ierland. Hij was zestien jaar. En het werk dat hij moest doen was: op schapen passen. Dat was een bitter eenzaam bestaan. Moederziel alleen zwierf hij rond in de heuvels. Hij had geen goede kleren. Hij had het vaak koud. En hij had vaak honger. Wat moest hij doen? Patrick begon te bidden. Patrick ging praten tegen God. Patrick ging praten mèt God. Later toen Patrick het verhaal van zijn leven opschreef, heeft hij ook hίerover geschreven. Ik lees een stukje voor:
“Schapen hoeden was mijn dagelijks werk. Overdag bad ik onafgebroken. De liefde van God en mijn ontzag voor Hem groeide. Mijn geloof werd sterker. Mijn geest werd wakker geschud, zodat ik op een dag wel honderd gebeden opzegde en als het donker werd bijna nog eens zoveel, ook als ik in de bossen was of op een berg. Ik werd wakker en bad voordat de zon opkwam, ook als het regende of sneeuwde en als het vroor. Ik was er heel ijverig in, omdat de Geest in mij zo vurig was.”
Patrick heeft het over “de Geest in mij”. Hij voelt: in mij gebeurt iets, er is een kracht in mij werkzaam, en dat is niet mijn eigen kracht, ik doe het niet zelf, maar het is de kracht van God, het is de kracht van Jezus die in mij bidt en werkt.
Wie God is, daarover lezen en leren wij in en vanuit de bijbel. Ook vandaag was en is dat het geval. De eerste bijbellezing vandaag was uit het boek Exodus. In die lezing kwamen wij Mozes tegen. In alle vroegte beklimt hij de berg Sinaï. Er staat: “De Heer daalde neer in een wolk. Hij kwam bij hem staan en Hij riep de naam HEER uit. De Heer ging hem voorbij en riep: HEER!” God die Zijn eigen naam roept. “De Heer is een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw, die goedheid bewijst tot in de duizendste generatie, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, maar een schuldige niet ongestraft laat, en die de misdaden van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, in de derde en vierde generatie.” God die tegen Mozes spreekt. God die tegen Patrick spreekt. God die tegen ons spreekt - als we in de bijbel lezen, als we bidden. God zegt van zichzelf: “Ik ben barmhartig en genadig. Ik ben geduldig en Ik ben groot in liefde en trouw.” Ja, dat voelde Patrick ook terwijl hij rondzwierf met zijn schapen. Hij voelde: God is goed voor mij, God houdt van mij. En beter dan ooit tevoren begreep hij: als ik goede dingen doen, dingen die God wil dat ik doe, dingen waar mensen gelukkig van worden, dan is ’t net als met een steen die je in het water gooit: dan komen er kringen rond de plek waar die steen in het water verdwenen is, steeds wίjdere kringen. Een goed mens en goede daden hebben een prachtig effect. Goedheid, dat is iets wat je kunt zaaien en wat zich kan voortplanten. Maar ook het omgekeerde is helaas wáár: als je slechte dingen doet, dan steek je daarmee ook andere mensen aan. Het is als met een brand. Eén vonk kan veroorzaken dat een heel bos gaat branden. Als een vader bijvoorbeeld zijn kinderen slaat, dan zijn zijn kinderen daarvan de dupe en misschien zelfs zijn kleinkinderen. Want iedereen in die familie gaat denken: ja, slaan, het doet wel pijn, maar het is blijkbaar normaal om anderen te slaan. Dus dan gaan de kinderen ook elkaar en andere kinderen slaan, thuis op school en op straat. En voor je het weet is het één en al ellende en is het eind zoek en staat een heel land of staat zelfs de hele wereld in brand. Denk bijvoorbeeld even aan wat er in Aghanistan op dit moment en al veel langer speelt.
Wij christenen geloven dat dezelfde God die tegen Mozes heeft gesproken; wij geloven dat die God op aarde is gekomen en geboren is als een mens van vlees en bloed, in Jezus van Nazareth. Jezus werd geboren in Bethlehem. Dat vieren we ieder jaar als ’t Kerstmis is. Wij geloven dat God de Vader is van Jezus en dat Jezus dus de Zoon van God is. Jezus en Zijn Vader lijken op elkaar zoals twee druppels water op elkaar lijken. Eigenlijk zijn die twee, Jezus en Zijn Vader, dus één en dezelfde God. Met Pasen vieren we ieder jaar dat Jezus is gestorven aan het kruis, maar dat God Hem uit Zijn graf heeft laten opstaan en dat Jezus voor altijd leeft bij God. Als we bidden, dan kunnen we voelen dat de Geest van Jezus, dat de Geest van God, in ons is, dus dat God zelf in ons is. God is God. Hij is altijd zichzelf. God is Eén. Maar we hebben God op drie manieren leren kennen: Jezus is God. De Vader van Jezus is God. En de Geest van Jezus en van God in ons, die is ook God.
Ik geef toe, dierbare gasten parochianen: het is allemaal wel een beetje ingewikkeld, de kerkelijke leer over de Heilige Drieëenheid. Die leer roept toch veel vragen op. Gemakkelijk raak je het spoor bijster, want: is het niet net alsof God zichzelf in Jezus gekloond heeft, zoals het schaap beroemde schaap Dolly werd gekloond? Is het niet net alsof God in Jezus een fotokopie heeft gemaakt van zichzelf? Is het niet net alsof Jezus die God is zichzélf aan Zijn eigen haren uit het graf omhooghaalt? Ik bedoel: zijn het niet allemaal cirkelredeneringen waarin je jezelf, ook als kerk, uiteindelijk hopeloos vastdraait? Wordt het dan ook niet vreselijk abstract allemaal en voer voor wereldvreemde intellectuelen? Waar gaat dat op een gegeven moment nog over? En vooral: welk normaal mens ligt daar nog van wakker?
Ik denk: wij moeten altijd proberen om moeilijke zaken eenvoudig uit te leggen. Inderdaad: waar gaat het nu werkelijk om? Wat is de kern, wat is het hart van de zaak? Sint-Patrick heeft in zijn tijd misschien wel een klavertje-drie genomen om het uit te leggen: één steeltje met drie blaadjes[3]. Wίj kunnen vandaag ook kijken naar de bloemen voor het altaar. Daarin zien we drie oranje bloemen, ik weet niet hoe ze heten. Mariëtte die voor de bloemen zorgt heeft dat natuurlijk niet voor niets zó gedaan. Zij wist: vandaag wordt het hoogfeest van de Heilige Drieëenheid gevierd. Drie oranje bloemen, of nee: het zijn eigenlijk drie rechte stengels met oranje scheuten eraan. Ze doen me denken aan vuur. En dat is natuurlijk geen toeval. want vorige week stonden ze er ook al. Toen was het Pinksteren, het feest van de Geest van God, van Jezus, die is als vuur, vuur dat verwarmt en verlicht. Eén en hetzelfde vuur is het dat we tegenkomen in het vuur van de God die tegen Mozes spreekt, in het vuur van de God die we ontmoeten in Jezus én in het vuur dat kan leven en dat we kunnen ervaren in ons eigen hart.
Is het nu noodzakelijk om als mens in Jezus en in de Heilige Drieëenheid te geloven? Je zou het kunnen denken. Want in het evangelie hoorden we: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de naam van de eengeboren Zoon van God.” Er staat dus niet: dat mensen die niet in Jezus geloven “al veroordeeld” zouden zijn, maar wél dat mensen die niet geloven “in de naam van de eniggeboren Zoon van God.” Het gaat dus om de inhoud van Jezus’ naam. Welnu, “Jezus”, die naam betekent “God redt”. Dáár gaat het dus vooral om denk ik: om het geloof in God die naar christelijk besef in optima forma reddend aanwezig was, is en blijft in Jezus Christus. Ik denk dat we er daarbij goed aan doen om in deze tijd vooral te zoeken naar datgene en naar Degene die alle vormen van geloof met elkaar verbindt, dus naar wat en naar Wie we gemeenschappelijk hebben. Dat klavertje-drie van Sint-Patrick, je kunt daarbij in deze tijd óók denken: jodendom-christendom-islam, de drie monotheïstische godsdiensten. Drie vormen van geloof, maar de steel waarop de blaadjes zitten en de wortels zijn dezelfde …
Wij als christenen geloven in Gods Heilige Drieëenheid. En ik denk: dat is in elk geval een prachtige manier, een prachtig beeld, ons door de oudste traditie van ons geloof en van onze kerk aangereikt, om in uit te drukken wat en wie God voor ons is. Een Ierse tekst uit de achtste eeuw, een tekst die “het borstschild van Sint-Patrick” wordt genoemd, getuigt daar prachtig van. Ik wil deze verkondiging besluiten met het voorlezen van de eerste strofe ervan:
“Vandaag sta ik op door een machtige sterkte, Drieënige God, door het geloof in de Vader, de Zoon en de Geest, door te belijden Eén God, die hemel en aarde gemaakt heeft."[4] Mogen wij, veelgeliefden, door de machtige sterkte van die Drieënige God állen opstaan. Amen.
Drieeenheid (2011)
A-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit