Sacramentsdag A (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · Sacramentsdag · wit

Psalm 147

Loof de HEER*,* Jeruzalem, prijs je God, Sion:
Hij versterkt de grendels van je poorten, Hij zegent de kinderen binnen je muren;
Hij is de beveiliging van je grenzen en schenkt vette tarwe in overvloed.
Een boodschap zendt Hij uit naar de aarde en haastig trekt zijn woord eropuit:
Aan Jakob verkondigt Hij zijn woord, het bestel van zijn wetten aan Israël.
Met geen ander volk heeft Hij zo gehandeld, zij kennen zijn wetten niet.

Eigenlijk is het gek dat wij hier nu nog gedenken wat zo’n 3000 jaar geleden is gebeurd. We herkennen de lading van wat toen aan de hand was. Dan krijgen de woorden van Mozes “blijft denken aan…” toch wel een bijzondere betekenis.

Als de Joden zich hebben gevestigd in het Beloofde Land, wordt de Wet van Mozes nog eens bij elkaar gezet - de Wet voor de tweede keer - zou je kunnen zeggen: Deuteronomium. Daarin wordt in herinnering geroepen hoe het allemaal is gekomen: de uittocht uit Egypte, de redding door de Rode Zee, in deze lezing: de beproevingen in de woestijn. Ze hebben honger en dorst geleden omdat hun God hen wilde beproeven, en hun God heeft Zijn Naam gestand gedaan ‘JHWH’: ‘Hij is er’; Hij was aanwezig om hen te helpen in hun nood. Zo leerden zij Hem kennen. Een proces van veertig jaar, ‘veertig’, een ontwikkeling.

Dat was hun ervaring, de ervaring van een volk. Als de woorden van Mozes toentertijd nu actueel zijn, kunnen we niet zo spreken van een gemeenschappelijke ervaring, de ervaring van een volk. Kan, mag zo’n soort ervaring voor ons persoonlijk gelden? Ieder heeft in zijn leven wel zo’n tocht door eigen woestijn gemaakt in wat voor een vorm dan ook. Dan dringt zich de vraag op of jij dat hebt ervaren als beproeving van God, of je nu - desnoods achteraf - die ellende als beproeving wilt zien. M.a.w. dat God er toch was in jouw ellende doordat - toen de maat vol was

  • God jou iemand heeft laten zien, of doordat je je toen vast greep aan een strohalm die een boom bleek te zijn geplant aan het water, of doordat je een andere reddende gebeurtenis meemaakte. Die moeilijkheden als een beproeving willen en kunnen zien, erkennen dat je toen toch in Zijn hand was, dat HijZ niet wilde dat je verloren zou gaan, is een geloofszicht. En als je dan omkijkt in verwondering, komt de idee naar boven dat je God een beetje hebt leren kennen op jouw weg, op jouw manier, dat ‘Hij-is-er-altijd’, de Aanwezige is en ook de ‘Hij-is-altijd’ is, de onveranderlijke, betrouwbare, de Eeuwige.

Dan moge als in de tussenzang een loflied naar boven komen van: “Loof de Heer, Jeruzalem”/“Roem, Jeruzalem, de Heer”. Jeruzalem, prijs de Heer, stad van God; jij zelf, prijs de Heer, kind van God. Verheerlijk de Aanwezige, de Eeuwige om Zijn verbond met ons, met mij.

Wat het evangelie van Joh ons vertelt is geen 3000 maar zo’n 2000 jaar geleden gebeurd, echter het gaat wel veel dieper. “De mens leeft van alles wat komt uit de mond van de Heer” zegt Deuteronomium. Niet alleen van de scheppingswoorden die ons leven en voedsel geven, maar ook van Het Woord dat een meer-leven bedient, dat Zijn Wezen openbaart, het Woord dat op aarde rondloopt, ’tussen de mensen in’. In de synagoge van Kafarnaüm zegt dat Woord dat hij het levende brood is dat uit de hemel is neergedaald, het echte, eeuwige Brood voor het echte onverwoestbare Leven. En dat niet alleen voor de Joden, die de Wet hebben, maar voor de hele wereld, die een nieuwe ‘Wet’ krijgt.

“De Joden geraakten daarover met elkaar aan het twisten”, schrijft Joh. Een aantal vond dat dat niet kon; kennelijk begonnen anderen iets te vermoeden, ging hun een licht op. Wellicht bedachten zij: onze vaderen hadden het Manna ook nooit gezien, nooit ervaren; toch was het er, kwam het naar hen toe in hun nood. Zou het nu ook niet mogelijk zijn dat Hij ook Brood is, uit de hemel neergedaald? Dan zegt Jezus het uitdrukkelijk: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u”. Als het erop aan komt, gebruikt Jezus niet de gebruikelijke Rabbi-formule ‘maar ik zeg u’, nee, hij zegt “voorwaar” en dan nog eens “voorwaar”, “Ik zeg U: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u”. “Het” Leven: de vaderen hebben het manna gegeten en zijn toch gestorven; Jezus doelt kennelijk op een meer-Leven, hoger dan het aardse. Daartoe strekt het Vlees van de Mensenzoon: tastbaar, zichtbaar, proefbaar, niet alleen maar een gedachte. Dat is al zoveel - en dan ook nog zijn bloed drinken - dat was voor een Jood volkomen nieuw, onmogelijk, zo niet godslasterlijk. Tenzij … God dat zegt. Brood en Wijn reiken tot in de hemel, tot in zijn Lichaam.

Jezus gaat door: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. Eeuwig leven is niet iets dat nog komen zal, nee het is er reeds - zij het nog niet onbeperkt. Als wij ‘goede werken’ doen, als we bidden, als we ons van de Aanwezige bewust zijn, zijn we bezig met eeuwig leven. En nu zegt Jezus dat degene die door hem wordt gevoed dat Leven heeft. Dit gaat dieper dan een Aanwezigheid buiten ons, dit gaat nog verder dan wanneer een moeder haar kind voedt. Die twee blijven nog buiten elkaar. Jezus spreekt van in elkaar zijn, een Inwezigheid.

Zo gaat Jezus nóg verder door, het is niet ‘alleen maar’ zijn persoon, het is zijn wezen, zijn Goddelijkheid die hij deelt met Zijn Vader, zijn ‘Abba’. ‘Zoals ik gezonden ben door de Eeuwig Levende’ zo ga ik door naar jullie, in jullie, met diezelfde eeuwigheid, met goddelijk Leven. Dat kan alleen God zeggen. God die de wereld wil redden, er is voor de hele wereld, de Aanwezige. Is meer mogelijk? Meer mogelijk dan God in mij? De nieuwe ‘Wet’.

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Jullie zijn niet zo groot gebracht met het heilige van de Communie zoals vroeger gewoon was. De vraag is vaak: het is wel mooi maar hoe kan dat? De vraag waarover de Joden twistten; heel normaal. Maar als je iets van een Aanwezigheid kent, hebt leren kennen in je leven, zou het dan verkeerd zijn om dat over je te laten komen? Als je bedenkt dat symbolen, dat heilige tekens, eeuwigheid en aardsheid met elkaar verbinden, is het dan niet mogelijk om - op zijn woord - het Lichaam van Christus in je handen te houden? Om zijn Bloed te drinken? Te delen in zijn leven?

“Blijft denken aan …”, zei Mozes, “… tot mijn gedachtenis”, zei Jezus. Niet als iets dat alleen maar ooit gebeurde maar wat altijd door is. Gunnen we ons de gelegenheid om daaraan te denken, niet alleen nu maar ook straks - iedere keer als we te Communie gaan: Aanwezige, Eeuwige, Inwezige, eeuwige Liefde.

Zoeken in Preken Online