"Het Brood dat Ik zal geven..." (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · Sacramentsdag · wit

* In het voorgelezen evangelie bereikt Jezus’ rede over het levende brood haar hoogtepunt. Eerst had Hij de Joden verweten die ‘s morgen na de broodvermenigvuldiging overgestoken waren, dat ze Hem waren gevolgd alleen omwille van het materiële voedsel dat ze hadden gekregen, zonder de betekenis van het teken te verstaan. Daarop had Hij gezegd: “Ik ben het Brood dat de Vader u geeft, het Brood uit de hemel, het Brood des Levens “, net zoals Hij ook het Licht der Wereld is.

* Maar nu gaat Jezus nadrukkelijk spreken over het nieuwe Brood dat Hij concreet in de toekomst zelf geven zal en zelf zal zijn: “Het Brood dat Ik zal (!) geven is mijn ‘vlees’ voor het leven der wereld”. Hiermee stevent Jezus regelrecht af op de gave van de Heilige Eucharistie (Joh 6,51-59).

1. Johannes stelt Jezus voor in de lijn van Mozes, maar als veel meer dan Mozes.

  • Mozes had in de woestijn het volk met manna gespijzigd en water uit de rots geslagen (Deut 8,16; eerste lezing). Na Jezus’ broodwonder riep het volk: “Dit is echt de grote profeet die in de wereld moet komen” (Joh 6,14). Dit herhaalden ze op het Loofhuttenfeest bij Jezus’ aankondiging van het levend water (7,40). Ze zagen in Jezus de nieuwe Mozes, die dezelfde tekenen deed. - Aan Mozes had God bij de braamstruik zijn Naam geopenbaard “Ik zal er zijn…”. Jezus begreep de verborgen diepte van die Naam, en in zijn hoogpriesterlijk gebed kon Hij zeggen: “Uw naam ‘Vader’ heb ik hun geopenbaard”. - Mozes had op de Horeb in zijn intieme ontmoeting met God (van aangezicht tot aangezicht) de Wet ontvangen, maar God had hem nadien zijn gezicht bedekt: “Gij kunt Mij slechts op de rug zien, want niemand kan Me aanschouwen en in leven blijven” (Ex 33,18-23). Jezus, de eniggeboren Zoon, kende en aanschouwde In de schoot van de Vader, de Vader voortdurend (Joh 1,18). - De Joden hebben ooit Gods Wet ook ‘brood’ genoemd (Spr 9,5). Jezus, het mens geworden Woord, de verpersoonlijking van de Wet, werd het uiteindelijke Brood.

  • Op Jezus’ uitspraak: “Het Brood dat Ik zal geven is mijn vlees…” komt er getwist: “Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven ?” (6,52) Ze verstaan het dus zeer letterlijk. Ze hadden reeds gemord omdat Hij zei dat Hij het Brood was uit de hemel neergedaald” (6,43). Nu gaat het gemor over in een twistgesprek. Dit morren en twisten is een echo van wat met Mozes in de woestijntocht gebeurd was (Ex 16; 17,2). De geschiedenis herhaalt zich. Het protesterend onbegrip van het volk is een constant gegeven bij Johannes. Maar Jezus hamert het erin: “Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u.” Vlees en bloed wijzen op de totaliteit van zijn mens geworden en kwetsbare persoon. Daarop Jezus gaat in climax door: “Wie mijn vlees kauwt (!) en mijn bloed drinkt heeft eeuwig leven…” En Hij herhaalt met klem: “Wie mijn vlees kauwt en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in Hem…” En: “… degene die Mij kauwt, zal leven door Mij”. Jezus gaat plots over van het woord ‘eten’ (Gr.: fagein) naar ‘kauwen’ (Gr.: trôgein). Dit woord drukt heel sterk de assimilatie, de osmose uit. Het gaat om de totale opname van zijn leven in het onze. Hier begint het thema van het wederzijdse blijven in elkaar, dat Johannes verder uitwerkt in de afscheidsrede. En Jezus besluit klaar: “Dit is heel anders dan het manna dat de vaderen hebben gegeten en gestorven zijn. Wie dit brood kauwt zal eeuwig leven.”

2. Doch “Het is de Geest die levend maakt” (6,63).

  • Hiermede zal Jezus zijn uitspraak nuanceren en verstaanbaar maken. Ook zijn leerlingen waren geschokt. De hele broodrede kwam zeer hard over. Het is geen kannibalisme. Die rede werd uitgesproken in het perspectief van het komende Pasen (6,4). Wat Jezus beloofde moet doorheen de ruit van het paasgebeuren worden verstaan. Niet het materiële ‘vlees’ op zichzelf heeft waarde. Alleen getransformeerd door de kruisdood en de verrijzenis kan dat vlees of lichaam zijn betekenis krijgen, en bewerkt het ook onze omvorming. Wat met Jezus’ menswording begon en in het paasmysterie is voltooid, blijft onze levensbron. “Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus ?” (1 Kor 10,16; tweede lezing). Dit zet zich door in de wereld. De eucharistische omvorming van het brood is als een voorspel van onze eigen Christuswording en meteen de doordrenking van het universum door de tegenwoordigheid van de Verrezen Heer .

  • Op de Eucharistie doelend zei Jezus: “Mijn vlees is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank.” Het gaat om een voedsel op een dieper niveau, op het niveau van Gods waarheid. Van wie Hem ontvangt zegt Hij: “Hij blijft in Mij en Ik in hem”. Het gaat om een “(ver)blijven”. Daarom is het ontvangen van de Heilige Eucharistie niet een zaak van blind automatisme, noch een puur symbolisch ritueel. Het is meer dan een voorbijgaand ogenblik. Wij gaan er biddend bij verpozen. Belangrijk is de verwerkende stilte na de viering. Die aanwezigheid moet verder nawerken doorheen de dag en in heel ons leven. De Heilige Mis is geen schuifje, iets dat moet ‘gedaan’ worden of ‘bijgewoond’, maar ze is de adem van onze dag. En zo wordt de eucharistische aanbidding de bestendiging van deze beleving. Ze is als een open vloeiende olievlek die het laken van ons leven doortrekt. Zij is voor ons allen meer nodig dan zuurstof, meer nodig dan de zon.

Zoeken in Preken Online