Het verleden, je eigen verleden, maar ook de geschiedenis van je
familie vormt je identiteit. Zo’n geschiedenis kan knellen en soms
beknellen, maar kan ook richting geven aan je leven. Zo van: dit is
onze geschiedenis en zulke mensen zijn wij. In mijn familie
bijvoorbeeld worden de levensgeschiedenissen van grootouders en andere
voorouders levend gehouden en doorverteld. Degene die ik ben geworden,
ben ik mede door die geschiedenis van hen, door hun genen en hun
levensverhaal en ook ik ben op mijn beurt een schakel naar de toekomst
toe.
In de kerk houden we verhalen van heel verre voorouders levend,
verhalen van onderdrukking en bevrijding die we lezen in de Schrift. Op
den duur worden deze bijbelverhalen ook een beetje familieverhalen. Je
raakt ermee vertrouwd, je kent ze zo’n beetje, ze geven richting aan je
leven. Door te denken aan geschiedenissen kun je als het ware jezelf
relativeren en richting geven. Door te gedenken kun je leren van het
verleden.
Het boek Deuteronomium waar we uit hebben gelezen, drukt het volk op
het hart nooit te vergeten dat zij slaven zijn geweest in Egypte. Zij
zijn door God verlost en door de woestijn gevoerd, tot waar zij nu
zijn. Ze staan op het punt het beloofde land binnen te trekken. Vergeet
nooit wie je bent is: vergeet niet hoe je voorouders niet in welstand
leefden. Vergeet niet dat je voorouders werden onderdrukt. Vergeet niet
hoe God ons heeft verlost en heeft gevoed veertig jaar lang. Vergeet
niet de armen, de weduwen en de wezen, want eens was je zelf verdrukt.
Er is een joods gezegde dat luidt: Vergeten is ballingschap, gedenken
is verlossing. Want dan weet je wie je bent en wie je niet moet zijn.
Dat is denk ik in een tijd waarin het historisch besef verdwijnt
belangrijk. We leven in een tijd waarin weet hebben van het verleden en
dus ook van de bijbel, door velen niet belangrijk wordt gevonden. Een
pijnlijke vergissing want zo raak je langzamerhand de richting kwijt.
De Hebreeën zijn beproefd in de lange jaren in de woestijn. Maar hun
grootste beproeving moet nog komen. Het beloofde land is een land dat
sterke schouders vraagt, want het is een vruchtbaar land, overvloeiend
van melk en honing. In de woestijn was het anders. Het manna van de
woestijn was voor iedereen precies genoeg. Wanneer je teveel
verzamelde, hield je toch niet over. Had je weinig verzameld dan was er
toch genoeg. Er was juist genoeg voor ieder en voor iedereen was er
genoeg. En dat is echte overvloed, maar geen overdaad. Hebzucht had
geen zin, graaierij loonde niet. Manna, brood uit de hemel. En zo
leerden zij in de woestijn dat de mens niet leeft van brood alleen. En
het brood dat je eet, is meer dan voedingsmiddel.
In het evangelie klinken vandaag ‘harde’, misschien is het beter om te
zeggen ‘onverteerbare’ woorden. Deze woorden hebben de eeuwen door
weerstand en wantrouwen opgeroepen. In de eerste eeuw bijvoorbeeld
stonden christenen bij hun tijdgenoten in een kwaad licht. In de
volksmond waren christenen dwarsliggers en zedenpredikers. Ze zijn
radicaal en houden geheime bijeenkomsten, zo vond men. En op die
bijeenkomsten, zo ging de volksmond verder, drinkt men bloed en houdt
men kannibalistische orgieën. Wanneer je als buitenstaander deze tekst
uit het Johannes evangelie hoort, liggen misverstanden op de loer. Ik
denk dat ook vandaag nog velen onder ons zich onwennig voelen bij het
horen van Jezus’ woorden over het drinken van zijn bloed en het eten
van zijn vlees. We zijn toch geen menseneters, denken we dan, en zijn
in een eerste opwelling geneigd de reactie van de omstanders over te
nemen: ‘Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?’.
En toch, bij nader inzien is deze uitdrukking misschien niet zo gek.
Wanneer ik met mijn Friese pake (opa) aan tafel zat om te eten, was dat
een stuk van zijn leven. Hij was in zijn werkzame leven tuinder
geweest, had er energie in gestoken, de grond bewerkt, gezaaid, het
gewas verzorgd, verzameld en bereid. Dat gaf me de ervaring dat voedsel
veel zorg en moeite vraagt en je er zeer zorgvuldig mee om moet gaan.
In het voedsel hier op tafel steekt een stuk van ons leven, van ons
vlees en bloed. ‘Vlees en bloed’ is gewoon een uitdrukking ter
aanduiding van ‘mijn hele persoon’, ‘ik helemaal’. In het Nederlands
gebruiken we veeleer de uitdrukking ‘hart en ziel’. Wanneer we thuis
aan tafel zitten, dan moeten we als kind beseffen dat het aangeboden
voedsel het leven vertegenwoordigt van onze ouders. We eten hun zorgen,
hun arbeid, hun slapeloze nachten, hun levensenergie, hun liefde. We
eten hun vlees en bloed.
Ik denk dat je op deze manier ook de woorden van Jezus kan opvatten.
Hij geeft zich aan ons als voedsel, waardoor we kracht vinden om te
leven. Of, met Jezus’ woorden, waardoor we eeuwig leven ontvangen. Dat
is het leven dat niet door de tijd vervaagd, een leven dat de moeite
waard is om geleefd te worden en dat uiteindelijk sterker is dan de
tijd en dan de dood. Net zoals de ouders als het ware het voedsel zijn
op hun gezinstafel, zo is Jezus het levende brood. Zijn voedsel dat hij
ons aanreikt is zijn leven. In dit voedsel wil hij uitdrukken: ik leef
voor jullie, ik breek mijn bestaan als brood voor je. Geloven in die
Jezus is eeuwig leven vinden.
Jezus noemt zichzelf ‘brood dat uit de hemel is neergedaald’. En
iedereen begrijpt dat hij hiermee het manna bedoelt dat de voorvaderen
in de woestijn in leven heeft gehouden. Maar ze waren het beloofde land
nog niet binnen of velen vergaten te leven naar het Verbond. Het brood
uit de hemel was niet meer nodig en ze vergaten dat brood uit de hemel
komt.
Wanneer we het aandurven te leven zoals Jezus heeft voorgeleefd,
wanneer we Jezus’ woorden aanvaarden als brood uit de hemel, als
woorden die van God komen, dan is God niet langer een ongekend,
onpersoonlijk, onzijdig mysterie. Uiteraard blijft God altijd, een
mysterie. Hij of zij is altijd groter dan onze woorden, onze begrippen,
onze symbolen. God is groter en meer dan Jezus alleen. Maar van de
andere kant komt God ons in Jezus tegemoet. God is niet meer een
onnoembaar mysterie, waarmee je alle kanten uitkunt. Een totale
onbekende kan niemand redden. Voor een totaal onnoembare kan ik niet
knielen en mijn handen vouwen. Tot iemand van wie ik niks, maar dan ook
niks begrijp, kan ik niet bidden. Een ongekend mysterie kan je ook niet
vertrouwen.
Jezus
heeft geleefd vanuit liefde, Hij heeft ons voorgehouden dat we God
kunnen vertrouwen. We kunnen in liefde met elkaar omgaan als gelijken,
de schrift zegt: broers en zussen. Zo leven, dat is kwaliteit van
leven, en dat is ’eeuwig leven’. Het eeuwig leven is nu al wanneer we
de woorden van Jezus kunnen ervaren als brood uit de hemel en als
voedsel om nu reeds van te leven.
Vergeten is ballingschap, gedenken is verlossing (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · Sacramentsdag · wit