De zogenaamde ‘zondagen door het jaar’ , zoals die van vandaag, lijken
saaier dan de Hoogfeesten. Maar ze zijn eigenlijk nog wel zo
interessant: ze leggen ons namelijk steeds de vraag voor, hoe we zelf
leven in antwoord op Gods woord dat we horen. In de tijd na Pinksteren
gaat het steeds om de vraag hoe we zelf leven ‘uit kracht van de
Geest’. Laten we ons door de heilige Geest vernieuwen,inspireren en op
weg helpen? Of horen we die woorden wel, maar doen er niets mee?
De eerste lezing plaatst ons voor de keuze om Gods geboden na te leven
- of niet. Die woorden - de tien geboden- wijzen ieder van ons een weg
naar bevrijding en vrijheid. Bevrijding van wat ons verslaafd houdt,
bevrijding van wat ons blokkeert om te zijn zoals God ons geschapen en
bedoeld heeft: als vrije mensen, die daarmee ook leven als Zijn beeld
en gelijkenis.
De tien geboden geven ons een helder kader van wat we moeten doen en laten. Na de bevrijding uit de slavernij in Egypte worden de tien geboden aan Gods volk gegeven om de vriojheid en bevrijding te waarborgen. Ze zijn de grondwet van Gods volk. Leef ze na, en er ontstaat een samenleving van vrije, niet geknechte mensen, die gericht zijn op het goede samen leven. En de eisen zijn hoog: We moeten ons namelijk niet alleen aan die regels houden, maar we moeten dit verbod ook nog eens in hart en ziel inprenten: het moet van binnen uit komen dat we niet moorden. Het verbod wil ons innerlijk vrij maken van het kwaad en de zonde, we moeten innerlijk vrij zijn van die blinde vernietigende hartstocht. De vrijheid is een deel van je zelf geworden. Dat zegt de eerste lezing.
Maar zelfs de geboden en verboden hebben niet alleen tot doel om ons grenzen te stellen, of onszelf innerlijk vrij te maken van de macht van het kwaad , maar meer dan dat: ze hebben tot doel om ons in positieve zin tot leven te wekken en ons goed met de ander te laten samenleven, om goed in de samenleving te staan. Het gebod is namelijk niet alleen op ons zelf gericht, maar op het samenleven met anderen, op het scheppen van een samenleving waarin ieder veilig en goed kan leven. Dat is een samenleving waarin in elk geval bij voorbeeld geen verwaarlozing van ouders door hun volwassen kinderen, diefstal of echtbreuk bestaan, maar waarin mensen er juist integendeel op gericht zijn elkaar te leven te brengen, tot goed samenleven. De verboden bestaan , omdat ze inbreuk maken op waar we in positieve zin voor bedoeld zijn: om goed samen te leven.\
- De apostel Paulus wijst er in de Romeinenbrief op dat alleen het
willen naleven van geboden en verboden niet voldoende is. God zelf zelf
geeft ons ‘genadig’ de kracht daartoe. Wij kunnen dit niet zo maar uit
ons zelf: de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Wie
heeft er nooit een goed voornemen gemaakt dat hij vervolgens niet
naleefde? Van Jezus is het woord: wie zonder zonde is werpe de eerste
steen. Dat is dus niemand. We hebben allemaal Gods kracht en bijstand
nodig om goed te leven.
En Het mooie is dat we Gods kracht en bijstand niet alleen nodig hebben, maar ook daadwerkelijk krijgen , Niet omdat we die ‘verdienen’, maar als geschenk, als cadeau van God. ‘Genade’ is altijd een geschenk van God. We krijgen dat omdat God ondanks onze mislukkingen in het leven en onze fouten van ons houdt, en niet omdat we toch al zulke bovenste beste mensen zijn die het goed met zichzelf getroffen hebben. Gods genade is juist bedoeld voor mensen die het niet zo met zichzelf getroffen hebben; mensen die weten: ik kan het niet alleen.
Het evangelie van deze dag voegt iets wezenlijks toe aan de eerste twee lezingen. Zelfs mensen die met Jezus onderweg zijn gegaan - en dus eigenlijk de goede keuze hebben gemaakt om Jezus na te volgen - zelfs die mensen zijn er nog niet. Jezus zegt zelfs tegen mensen die in die Zijn naam geprofeteerd hebben, dus Gods liefde verkondigen, en mensen genezen, zelfs tot deze mensen, die goed doen, zegt Jezus: “nooit heb ik U gekend” (vs. 23a). Zelfs als je dus de goede keuze hebt gemaakt, om Jezus na te volgen en in Zijn naam God te verkondigen en mensen te genezen, zelfs dan ben je er nog niet. Het evangelie van vandaag is daarom een tekst die ons in zekere zin klem zet. Eindelijk doen we het goede, maar dan nog deugt het niet. Maar wat moeten we dan??? Als zelfs dit alles niet goed genoeg is, schieten we dan niet altijd te kort??? Het antwoord op die vraag staat - in beeldspraak- ook in het evangelie: we moeten ons huis op een rots bouwen en niet op zand. Anders gezegd: het gaat niet alleen om wat we doen, het gaat er om wie we zijn, en waar we ons fundament zoeken. Als we geen fundament hebben leidt ons doen uiteindelijk tot niets. Onze houding, onze geloofshouding, onze innerlijke gerichtheid, ons besef dat we falende mensen zijn, dat doet er toe. Als wee goed doen maar daardoor hoogmoedig worden en Heer, Heer gaan roepen, dan falen we in het wezenlijkste. En dat wezenlijkste is niet wat we doen, maar wie we voor God zijn: deemoedige mensen. De ergste zonde is niet een afzonderlijke daad, maar de hoogmoed, het waanidee dat je alleen door goed te handelen in Gods ogen een goed mens bent.
De kerkvader Augustinus schreef in de leefregel voor zijn orde al, dat juist de hoogmoed de liefde ondermijnt, de liefde die het fundament is van alle samenleven. Deemoed daarentegen ligt aan de basis van alle liefde die een band sticht.