9e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 9e zondag · groen

Wanneer we in het O.T. lezen over de lotgevallen van Israël, dan komen we daarin een aantal volkeren tegen, waar het joodse volk mee in contact geweest is. Denkt u maar aan de eeuwen van verdrukking in Egypte, aan de ballingschap in Babylon. Het kan niet anders of die vreemde culturen hebben op een of andere manier hun sporen achtergelaten in het joodse gedachtegoed. Een voorbeeld daarvan zijn bijvoorbeeld de vier symbolen voor de evangelisten, de arend, het rund, de leeuw en de mensenfiguur. Die zijn door de kerkelijke traditie overgenomen uit de visioenen van de profeet Ezechiël, die ze uiteindelijk weer ontleend had aan afbeeldingen in Assyrische bouwwerken. Een ander voorbeeld. Over Abraham lezen we hoe hij voor zijn vrouw Sarah een begraafplaats kocht van ene Efron, een Hethiet. Archeologische vondsten hebben van het volk der Hethieten o.a. verdragen aan het licht gebracht die de verhoudingen regelden tussen de Hethietische heersers en de door hen onderworpen naburige vorsten. In zo’n verdrag werd vastgelegd, dat die onderworpen vorsten voortaan vazal van de Hethietische overwinnaar, zouden zijn. Nu is er een merkwaardige overeenkomst, naar de vorm althans, tussen die Hethietische vazallenverdragen en de manier, waarop het verbond tussen God en Israël geformuleerd is. Op de berg Sinaï stelde volgens de overlevering, Mozes dat verbond namens God voor Israël op schrift. En in dat
verbond heeft Israël een positie, die sterk overeenkomt met die van een vazal in die oude Hethietische verdragen.
Zo’n vazallenverdrag bestond uit drie delen: eerst worden de feiten uit het verleden vermeld, met de nadruk op de grootmoedigheid van de overwinnaar. Dan volgen de bepalingen, die de vriendschapsbanden in het heden moeten bevestigen. Tenslotte dan het derde deel, dat op de toekomst betrekking heeft. De vazal heeft twee mogelijkheden: trouw of ontrouw aan het verdrag met als consequentie heil of onheil, zegen of vloek. De eerste lezing van deze viering, genomen uit het boek Deuteronomium, vormt het slot van dat verbond dat God met Israël gesloten heeft. Het doet sterk denken aan dat derde deel van zo’n vazallenverdrag. Mozes zegt tot het volk:“Ik stel u heden zegen voor en vloek; zegen als ge gehoorzaamt aan de geboden van de Heer, die ik u heden geef; vloek als gij aan zijn geboden niet gehoorzaamt…” Mozes laat er geen twijfel over bestaan, dat toekomstige zegen en voorspoed, geluk en leven voorwaardelijk zijn. Alles hangt er vanaf of Israël trouw is aan het verbond. Zo ja, dan mag het rekenen op zegen. En daarbij gaat het op de eerste plaats om aards geluk en heil: vruchtbaarheid, veiligheid, welvaart.
In de evangelielezing hoorden we het slot van wat de Bergrede genoemd wordt. Zoals Mozes vanaf de berg Sinaï het verbond tussen God en Israël had afgekondigd, zo maakt Jezus nu, ook vanaf een berg, het Nieuwe Verbond tussen God en zijn leerlingen bekend. We herkennen daarin ook weer bepaalde
trekken, die herinneren aan het Oude Verbond. Zoals Mozes het volk voor een keuze stelde, zo doet Jezus het hier ook. Alleen wie de wil van Jezus’ Vader
doet, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan. Daarbij gebruikt Jezus ter verduidelijking het beeld van iemand die een huis bouwt. De leerling, die Jezus’ woorden onderhoudt is als de man die zijn huis op een hechte ondergrond fundeert, op rotsgrond. Zo’n huis kan een stootje hebben. Maar wie niet naar Jezus’ woorden handelt, die bouwt zijn huis op zand, op een onbetrouwbaar fundament, met alle kwalijke gevolgen van dien. Bij storm en ontij gaat zo’n huis eraan. Dat herinnert aan de zegen en de vloek, waarmee we in de eerste lezing het verbondsformulier hoorden eindigen.
Overigens zijn er toch ook wel verschillen tussen dat oude en het nieuwe verbond. Dat binnengaan in het koninkrijk, dat Jezus zijn trouwe leerlingen in het vooruitzicht stelt, houdt meer in dan geluk en welvaart op aarde. Dat heil reikt over de dood heen. Misschien klinkt dat wat wereldvreemd. Wordt het heil daarmee dan niet naar een verre buitenwereldse toekomst verlegd, na dit leven? Ja ook, maar niet uitsluitend. Want wie de wil doet van de Vader, bewerkt daarmee heel reëel ook zijn eigen persoonlijk geluk en dat van zijn medemensen. En wie ongerechtigheid bedrijft, is al in dit aardse bestaan een vloek voor zichzelf en een ramp voor de samenleving. Maar Jezus onderstreept telkens weer, dat dit aardse leven hier niet het voornaamste is. Dat betekent overigens niet, dat daarmee dat oudtestamentische boek Deuteronomium, het vijfde boek van de bijbel, voor ons christenen afgedaan zou hebben. We kunnen er nog steeds behartenswaardige dingen in lezen, zoals bijvoorbeeld dit. Bij trouw aan het verbond worden geluk en zegen in het vooruitzicht gesteld, nationale grootheid en sociale welvaart. Maar je ontkomt daarbij toch niet aan de indruk, dat die reeds gedeeltelijk gerealiseerde aardse zegen zijn eigen risico’s en gevaren meebrengt. Bezit van het beloofde land
en materiële welvaart leiden ertoe dat God gemakkelijk vergeten wordt. Dat was daar toen het geval, maar vandaag bij ons in onze geseculariseerde,
materialistische samenleving, is het niet anders. Daarvoor waarschuwt Deuteronomium op indringende wijze: “De mens leeft niet van brood alleen
maar van alles wat uit de mond van de Heer komt” (8,3). Jezus zelf citeert deze woorden, wanneer Hij in de woestijn door de duivel wordt bekoord.
Laten wij christenen toch goed beseffen, zoals dat ook in Deuteronomium te lezen staat, dat aan de twee geboden, dat van de liefde tot God en dat van
de liefde tot de medemens, heel de Wet en Profeten afhangt. En dat wie trouw naar de woorden van Jezus handelt, mag hopen op zegen en heil, n£ al in dit
bestaan, maar vooral op een leven voor altijd bij God.

Zoeken in Preken Online