Op het fundament komt het aan

A-cyclus · Tijd door het jaar · 9e zondag · groen

In dit evangelie wordt ons klaar en duidelijk gezegd waar het in ons leven op aan komt. Vroom gepraat, religieuze bedrijvigheid, zelfs het bezweren van kwaad of het doen van wonderen hebben geen waarde. Jezus zelf zegt: “Niet zij die roepen: ‘Heer, Heer,’ zullen binnengaan in het Rijk Gods. - Ik ken u niet.” Het enige waar het op aan komt is: de wil doen van God. Normaal komt dan de vraag: “Hoe kennen wij de wil van God?” Een oud Joods verhaal kan ons dat misschien duidelijk maken. De soldaten zitten een vluchteling achterna, ze zullen hem doden ook al is hij onschuldig. Een rabbi neemt hem op in zijn huis en verbergt hem. In een dorp blijft niets lang verborgen en de mensen worden bang. Ze vragen aan de rabbi de man uit te leveren, want de soldaten zouden het hele dorp kunnen uitmoorden. De rabbi zit in tweestrijd en zoekt heel de nacht naar een oplossing in de bijbel. Hij leest er dat het beter is dat één man sterft dan een heel volk. ‘s Morgens geeft hij de vluchteling over aan de soldaten. De mensen vieren feest, maar de rabbi kan dat niet omdat hij een onschuldige heeft verraden. Opeens staat de profeet Elia voor hem en vraagt wat er aan de hand is. Het antwoord: “Ik heb een onschuldige uitgeleverd.” Elia zegt: “Dat was de Messias”. De rabbi verontschuldigt zich : “Hoe kon ik dat nu weten?” De profeet maakt het hem duidelijk: ‘Als je niet de hele nacht in je boeken gezocht had, maar in de ogen van de vluchteling gekeken, als je niet de hele nacht met je zelf maar met hem gepraat had, dan had je hem herkend!" Dit verhaal maakt ons duidelijk hoe wij de wil van God kunnen herkennen. Gods wil wordt ons niet schriftelijk meegedeeld en ons leven wordt ook niet als een uitgewerkt plan aan ons voorgelegd. In de concrete omstandigheden van ons leven, in elke persoonlijke situatie moeten we ons afvragen: wat zou God nu, hier van mij verlangen? Ons persoonlijk geweten is in wezen een dialoog tussen God en zijn schepsel. Dat is zo bepalend dat niemand anders daar tussen kan komen. Dit persoonlijk geweten is de laatste norm van elk menselijk handelen en alleen God heeft het recht om in dit heiligdom binnen te treden. Elke mens wordt persoonlijk door God aangesproken. Dat is zijn hoogste waardigheid en tegelijk zijn grootste verantwoordelijkheid. Als de mens voor Gods oordeel verschijnt zal hij zich niet kunnen beroepen op een wet: ‘in de wet staat…‘, zelfs niet op een persoon: ‘de Paus zegt toch…‘. Neen, hij zelf is uiteindelijk verantwoordelijk voor zijn daden. Wij zijn bewust van onze zwakheid en gebrokenheid en nu en op het einde van ons leven kunnen wij alleen beroep doen op de barmhartigheid van God. Dat is onze troost: bij God is overvloedige verlossing. Als wij gevoelig willen blijven voor de inspraken van God, is het nodig dat wij ons geweten vormen. Daarom geeft God ons het leergezag van de Kerk: ‘Wie u hoort, hoort Mij en al wat gij gebonden hebt, zal gebonden blijven." Het is de taak van de Kerk ons te bevestigen in het geloof. De Kerk staat niet boven Gods woord en in haar uitspraken moeten wij steeds de stem van Christus kunnen herkennen. Ons geweten vormen kan ook door de tekenen van de tijd. Het tijdsgebeuren is een onophoudelijk spreken van God, een taal waarin wij God kunnen verstaan. Proberen wij gelovig gevoelig te blijven voor die tekenen en Gods wil erkennen met de wereld in de ogen te durven zien. Bouwen wij ons leven op Christus, de rots in de branding. Wie op Hem vertrouwt, heeft op vaste grond gebouwd…

Zoeken in Preken Online