5e zondag door het jaar A - 2005

A-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

‘Gij zijt het zout van de aarde. Gij zijt het licht van de wereld.'

Zusters en broeders, ‘het zout van de aarde en het licht van de wereld’: misschien ontgaat de betekenis ervan ons een beetje. Want wat is er nu zo speciaal aan zout en aan licht? Ik weet niet precies hoeveel een kilogram zout kost, maar veel kan het niet zijn, anders zou onze armlastige overheid er niet elke winter onze wegen onder bedelven. En aan licht is ook al niets veel bijzonders. Een knip op de schakelaar, en het hele huis is verlicht. Dikwijls is die knip niet eens nodig. Gewoon bewegen is in veel gevallen al voldoende. In Jezus’ tijd was dat natuurlijk anders. Licht kwam van een kaars of een kleine toorts, en van straatverlichting was geen sprake. En zout was een schaars, dus een kostbaar en kostelijk iets. Om Jezus’ beeldspraak ten volle te kunnen begrijpen, moeten we dus ‘terug’denken. En we moeten ons natuurlijk ook afvragen hóé we licht en zout moeten zijn.

Zusters en broeders, heel waarschijnlijk ken je nog dat onvergetelijke nummer van de al even onvergetelijke Toon Hermans. Hij wil een lied zingen, maar hij is de tekst vergeten. Weet je nog? ‘Wat ruist er door het struikgewas? Het is een … het is een… zo’n klein dingetje’, en dan valt hij stil. Enfin, niet echt stil natuurlijk. Hij probeert opnieuw en opnieuw, de zaal helpt hem daarbij, maar wat hij ook doet, het wil niet lukken. Welnu, ik denk dat ik weet welk klein dingetje er door het struikgewas ruiste. Ik denk dat het een glimworm was. Een kevertje van niet meer dan een centimeter. Ik heb het in mijn kindertijd leren kennen toen ik met de chiro op kamp trok naar de Ardennen. Als we ’s avonds gingen wandelen in de toen nog volslagen Ardense duisternis, was de kans groot dat we lichtjes zagen. Piepkleine lichtjes van piepkleine kevertjes, maar bij een maanloze nacht waren ze van tientallen meter ver te zien. Voor ons, kleine bange kinderen, waren ze een zee van licht in een donkere nacht. Maar licht dat niet kwetste, dat niet opdringerig was zoals de straatverlichting in de kersttijd of de verlichting in de grootsteden. Dat is licht dat de hele stad in lichterlaaie zet en dat tegelijk ijs-, maar dan ook echt ijskoud is. Licht dat zo opdringerig is dat het alleen zichzelf duldt. Geen huizen meer, geen knusse straatjes meer met gezellige hoekjes. Nee, alleen maar allesverzengend licht.

Zusters en broeders, zulk soort licht moeten we natuurlijk niet zijn. Geen kwetsend en verzengend licht. Geen lamp van duizend of meer watt die pijn doet aan de ogen, die iedereen en alles wegduwt en alleen zichzelf wil kennen. Wel een warm en bescheiden lampje dat niet vernietigt wat is. Een lichtje dat er is voor anderen, niet voor zichzelf.

Hoe we licht moeten zijn, hoorden we vorige zondag in de Zaligsprekingen: arm naar geest, barmhartig, zachtmoedig, zoekend naar gerechtigheid en vrede, en bereid om als christenen te leven. Vandaag horen we hetzelfde in de eerste lezing. Daarin zegt de Heer door de mond van Jesaja: ‘Deel uw brood met de hongerigen. Neem de dakloze zwervers op in uw huis, kleed de naakten en keer u niet af van uw medemens. Dan zal uw licht stralen als de dageraad, uw gerechtigheid zal voor u uitgaan, de glorie van de Heer u op de voet volgen.’ En verder moeten we ‘de onderdrukking, de dreigende vingers en de kwaadsprekerij verwijderen en de mistroostige verzadigen.’ Helemaal zoals in de Zaligsprekingen.

En nu denk je misschien: ‘Allemaal goed en wel, maar zijn we wel met genoeg om licht en zout te zijn?’ Natuurlijk zijn we met genoeg. Een snuifje zout volstaat om een flauwe schotel smaak te geven, en een beetje licht in het donker is al ruimschoots voldoende. Een nachtlichtje van niet eens een watt in een slaapkamer kan elk kind geruststellen. Of denk aan de glimwormpjes. Zet aan weerszijden van de weg tien van die diertjes op een rij, telkens op vijftig meter afstand van elkaar, en je hebt een kleine landingsbaan.

Zusters en broeders, einde januari is het werelddag van de melaatsen, en de hele maand februari loopt de Daminaanactie. Damiaan, opnieuw Damiaan zul je misschien denken, en gelijk heb je: zijn naam valt geregeld in mijn bezinningen. Maar hij is dan ook een groot voorbeeld. Ook vandaag, als antwoord namelijk op onze vraag of we wel met genoeg zijn. Wel, Damiaan was helemaal alleen. Helemaal alleen in een wereld waarin melaatsen alleen maar goed waren om verstoten, vernederd, verbannen te worden. Ronduit een melaatsvijandige wereld. En daarin Damiaan, heel alleen. Nee, niet alleen, zeker niet alleen, want doordrongen van de Zaligsprekingen. Op zijn eentje was hij licht en zout genoeg om de hele wereld te verlichten en op smaak te brengen. Na hem waren de melaatsen nooit meer alleen, en ze zullen ook nooit meer alleen zijn.

Zusters en broeders, wij staan er niet alleen voor. We hebben Jezus, we hebben elkaar, we hebben onze gemeenschap, we hebben de wereldkerk. We zijn echt wel met genoeg om licht en zout te zijn. En van zout gesproken: dat heeft een vervaldatum. Je kent het: ‘Te gebruiken tot’, of ‘Houdbaar tot’, of nog iets anders. Je vindt het op elke verpakking. Welnu, op een christen die licht en zout wil zijn staat geen vervaldatum. Amen.

Zoeken in Preken Online