Uit vuur en ijzer, zuur en zout (1999)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

KEZJEM EN SALARIS

Er is een Maastrichts carnavalslied uit de tijd dat de eerste televisietoestellen in de etalages stonden. “Miene maan is weg van tellevisie en de kezjem dee h’r heet is erreg min….” (M’n man is weg van t.v. en ’t loon dat hij krijgt is laag) zo zongen we in 1954. “Kezjem” is een interessant Maastrichts woord voor het salaris dat arbeiders niet aan het begin van de maand, maar ook niet aan het einde ontvingen, maar op de “quinze” dag, de vijftiende dag, de kezjem. Interessanter nog is ons woord “salaris”, dat komt van het Latijnse “sal”, dat zout betekent. “Salarium” is een rantsoen zout.
Ik eet weinig zout. Dat deden we vroeger al niet. Mijn moeder mocht niet vanwege de bloeddruk. Voortdurend klaagde ze over de ongezouten soep en aardappels, maar wij vonden het wel lekker. Dat is natuurlijk het verschil tussen zoutloos verplicht en zoutloos vrijwillig! Het went snel. In de kelder stond een Keulse pot. Daarin zaten snijbonen in het zout. Maar zelfs dat wende in de stamppot. Je ging het op den duur zelfs lekker vinden.
Men is zout aan het eten gaan toevoegen, vooral omdat het conserveert. Reken maar dat er vroeger veel zout werd gegeten.
Zout was belangrijk in de tempel. Het was een noodzakelijk ingrediënt bij brand- en spijsoffer. Op het tempelplein stond een zoutkamer, beheerd door ’n speciale beambte.
Zout was kostbaar. Het werd soms als salaris uitbetaald. Ook het woord soldij is van het Latijnse zout afgeleid en dus ook degenen die soldij ontvingen: de soldaten.
Omdat zout zo kostbaar was, was het ook zonde om het te morsen. Daaruit ontstond bijgeloof. Je mag geen zout knoeien, anders roep je ruzie en ongeluk over je af. Dat kun je alleen nog tegenhouden door wat zout als een offerande over je linker schouder te gooien, want daar loerde de aanstichter van alle kwaad, de duivel. Op het beroemde fresco van Leonardo da Vinci over het laatste avondmaal zien sommigen hoe er een potje zout wordt omgestoten… door Judas Iskariot!
Het bijbelboek Jezus Sirach (39,26) somt de eerste levensbehoefte van een mens op. Tien onmisbare zaken worden genoemd in deze volgorde: water, vuur, ijzer, zout en tarwebloem; melk en honing, druivensap, olijfolie en kleding. Zout is de eerste etenswaar die wordt genoemd.

CONSERVERINGSMIDDEL

“Jullie zijn het zout der aarde.” Daarmee bedoelt Jezus dus: jullie zijn kostbaar! Jullie zijn iets waar de wereld niet genoeg van krijgt. Jullie zijn degene die de aarde houdbaar maakt, die het bederf tegengaat. Van jullie moet het leven smaak en kraak krijgen. Jezus denkt ook aan de offers in de tempel. Jullie waarde bestaat in wat je over hebt voor God, in wat je te bieden, te geven hebt. Hij zegt dat tegen de menigte die hij zojuist heeft begroet.
De eenvoudigen van geest, de “watjes”, de zachtmoedigen, de nederigen, de barmhartigen, de vredestichters… al die mensen die hem gevolgd zijn omdat ze geen vrede hadden met hun leven. Jezus ziet hun gebogen hoofden en afgezakte schouders. Jezus ziet hun vermoeide blik en misschien wel hun wanhoop. Dan zegt hij: “jullie zijn het zout der aarde, jullie zijn het zout in de pap, jullie zijn dat kostbaar ingrediënt dat deze aarde zijn behoud geeft. Jullie zijn het licht in de nacht.”
Jezus associeert moeiteloos zout met licht. Zout werd immers ook gebruikt om een olievlam helderder te laten schijnen; zoals wij vroeger lepels zout op de gasvlam gooiden om hem mooi geel te krijgen. Er is heel weinig zout nodig om de kleur van het licht te veranderen. De koster doet het nog in de paasnacht.

NIET AARDAPPELS MAAR ZOUTKORRELTJES

Wel, zet je licht boven op tafel en zorg dat je zout niet smakeloos wordt. Het zout in de tijd van Jezus was vaak vermengd met andere verbindingen en smaken. Onder invloed van zon en water konden die smaken verloren gaan. Het zout verloor kracht en waarde.
Achter ons ligt een tijd waarin de christenheid zichzelf beschouwde als een volle maaltijd voor iedereen. De kerk was dominant aanwezig op alle terreinen van het leven. Ze probeerde de wetenschap te domineren en de politiek. Ze regelde de wetgeving en de esthetica. Ze dicteerde de literatuur en de muziek. Ze was een alles en allen omvattende koepel. Die tijd ligt achter ons. In snel tempo is die burcht afgebrokkeld. En dat gaat nog verder. Kerktorens domineren niet meer de skyline van onze steden. En zeker verzamelen ze niet meer het grootste deel van haar bewoners voor een zondags gewetensonderzoek.
Ik herinner me nog dat in de Volkskrant begin vijftiger jaren een spannende strip verscheen, een toekomstfantasie over ruimte-avonturiers. Op zekere dag werd de strip gestopt. “Op last van de Nederlandse bisschoppen”, meldde de redactie. Intussen zijn ziekenhuizen niet meer de liefdesinstellingen van zusters en broeders. Verpleeghuizen, bejaardenoorden en scholen zijn niet meer de instrumenten van de kerk. Het christendom is niet meer een volle maaltijd. Het oogst weinig aanzien, eerder achterdocht en spot.
In die wereld krijgen wij de kans om weer het zout te zijn. Dat gaat niet vanzelf. Als de kerk een kleine groep van bewuste gelovigen wordt, dan is zij niet vanzelf zout van de aarde. Mattheus waarschuwt daarvoor. Het zal nodig zijn dat het zout zijn kracht houdt. Laten we dus niet bezorgd zijn over het aantal gelovigen. Laten we zorg hebben om hun kracht, om hun vurigheid, hun liefde.

GRAPJE…!

*Lieve kinderen.
Marco had stiekem in de keuken het suikerpotje leeg gemaakt en er zout in gedaan. Dat was zijn wraak op Judith. Judith deed veel suiker in haar thee. Nu maar wachten tot het vier uur werd. Plotseling ging de bel. Marco schrok. Wat kwam de meester van school doen? Hij had toch niks uitgespookt. “Gaat u zitten, meester. Kopje thee?” Marco was de deur uitgeglipt en zat op de trap. Binnen hoorde hij praten. “Suiker in de thee?” “Graag mevrouw, doet u maar twee scheppen…” Nu moest Marco ingrijpen. Hij rende naar binnen. Griste z’n moeder de suikerpot uit de hand en riep “Dit is de suiker van Judith.” Moeder fronste de wenkbrauwen.
Die avond aten ze frieten. Met de suiker was het niks meer geworden. Moeder had Judith het hele verhaal verteld. Marco pakte het potje zout om eens flink over de frieten te schudden, Judith gilde het uit van plezier. Het dekseltjes had ze losgeschroefd en nou waren de frieten bedolven onder het zout.
Zo zie je maar: je kunt niet zonder zout, maar het hoeft maar heel weinig te zijn. Jullie zijn het zout voor de wereld. Een paar mensen die goed doen en die protesteren tegen onrecht, een paar mensen die de zieken bezoeken, die zullen de rest aansteken en dan zal het wel gaan. Dat zegt Jezus tegen ons!*

Zoeken in Preken Online