En toch is er licht

A-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

God heeft vertrouwen in mensen.

In de kerstnacht hoorden wij het zingen:

‘vrede op aarde aan de mensen OP WIE GOD ZO GEK IS

(een beetje vrij vertaald)

Dat horen wij in de bergrede ook.

Het vertrouwen dat Jezus in Zijn leerlingen heeft is enorm:

‘jullie zijn het zout der aarde en het licht der wereld.’

Weet Hij wel wat voor een vlees Hij in de kuip heeft,

je zou bijna denken dat Hij het hatelijk bedoelt.

Later zal Hij zeggen:

‘op jou Petrus zal ik mijn kerk bouwen.’

(als er iemand wankel en onzeker was, was hij het wel).

Nog later, in de hof van olijven zal Hij tot zijn vrienden zeggen:

‘WEEST WAAKZAAM MET MIJ EN BIDT’

Hij heeft het nog niet gezegd of ze vallen in slaap.

Wist de Heer echt niet hoe zwak mensen zijn?

Was Jezus naïef? Wist Hij niet beter.

Waren de apostelen, zijn leerlingen toen,

en zijn wij, Zijn leerlingen van nu, dit vertrouwen wel waard ?

Wat zal zijn commentaar zijn op de kerk zoals die nu bestaat?

Wat voor een kerk heeft Jezus eigenlijk gewild?

Wat voor een politieke structuur stond Hem eigenlijk voor ogen?

Het zijn vragen waarop we geen antwoord krijgen

en daarom gaan mensen ze zelf maar verzinnen.

En dan geldt: hoe onzekerder ze zijn

met hoe meer stelligheid sommigen gaan zeggen

wat er volgens hen moet gebeuren om de wereld te verbeteren

en gaan uitleggen wat God (en ik spreek nu over de harde Islam)

of Jezus (en dan spreek ik over de reactionaire kerkmensen)

allemaal precies heeft bedoeld.

Het meest belangrijke,

het vertrouwen van Jezus in ons zwakke mensen,

vergeten ze allemaal o zo vlug……

want wie vindt zichzelf nu zwak.

Dostojewvski vertelt in zijn roman de gebroeders Karamasov

hoe de geloofbespotter Iwan zijn vrome broer Aljosja tart:

‘ik heb een verhaal geschreven: jij mag het als eerste horen.

Het verhaal heet: ‘de groot-inquisiteur’, een verhaal in een verhaal dus.

Inquisiteurs waren in de late middeleeuwen

kerkelijk rechters die orde op zaken moesten stellen

ketterijen moesten onderzoeken en ketters moesten aanklagen.

De groot inquisiteur uit Dostojewski’s verhaal

is een schijnbaar zeer zelfverzekerde man

die in gesprek is geweest met allerlei mensen

die de kerk zoals die in zijn dagen was

durfden bekritiseren en wilden vernieuwen.

Allemaal mensen

die de groot inquisiteur naar de brand¬stapel zal verwijzen.

Hij doet dat schijnbaar uit de meest edele motieven:

om de mensen te beschermen tegen onzekerheid.

Op een zeker moment blijkt echter

verschijnt iemand voor hem en dat blijkt Jezus zelf te zijn

(dat kan allemaal in een verhaal).

Hij komt in de beklaagdenbank voor de groot inquisiteur terecht.

Een hele discussie breekt dan los die ik hier niet helemaal niet kan samenvatten.

De groot inquisiteur schrikt eerst maar dan zegt hij:

‘nu ik u toch voor mij heb wil ik u wel iets zeggen.’

u hebt te veel vertrouwen in de mensen gehad,

de mensen zijn slecht en hebben leiding nodig, sterke leiding.’

Maar Jezus zegt: ‘mensen zijn goed, heb vertrouwen in hen

dat heb ik ook gehad.’

Als Jezus nog verder gaat met zijn pleidooi voor het goede

dat in alle mensen toch verscholen zit

wordt de groot-inquisiteur woedend.

‘U hebt ons veel ellende aangedaan

door de woorden die u in het evangelie gezegd hebt

U met uw vertrouwen in de mensen

U die zelfs met een tollenaar hebt gegeten

die zelfs vrouwen die niet deugden nieuwe kansen gaf,

en die -en nu komen we bij het evangelie van vandaag-

hebt gezegd: JULLIE ZIJN HET LICHT DER WERELD.

Schuimbekkend van woede tiert de groot-inquisiteur verder:

‘Mensen zijn helemaal geen licht.

Mensen zijn donker, kinderen van het duister, slecht

en ze moeten heel goed en krachtig begeleid worden

door ons kerkleiders

en streng worden gestraft als ze tegen ons ingaan:

dat eist de barmhartigheid.’

Jezus gaat in het verhaal van Dostojewski

nog even door met te vertellen

dat de mensen vertrouwen waard zijn,

dat in ieder mens iets goeds schuilt,

dat de mens door God geliefd is

en dat God de mensen graag bevestigt en bemoedigt.

Maar daarmee graaft Jezus zijn eigen graf.

Hij wordt in Dostojewski’s verhaal opnieuw veroordeeld en vermoord

hoezeer het de groot inquisiteur ook spijt.

Jezus moet weg anders valt de kerk

zoals de groot inquisiteur hem voor ogen staat

in elkaar.

II. Om de weg naar Jezus’ oorspronkelijke idealen te vin¬den

wordt ons dit jaar weer voorgelezen uit de bergrede.

We mogen in die rede onze opdrachten horen maar ook meer:

hoe het tussen de mensen en God is.

De mensen zijn geliefd, de mensen mogen er zijn:

wij mogen er zijn.

Het is Gods en Jezus’ methodiek

om mensen uit te dagen,

om het beste wat er in mensen schuilt

naar voren te roepen door ze te bemoedigen en te bevestigen.

De sterken (de gezonden) hebben geen geneesheer nodig

maar de gewone mensen (wij, de zwakken) wel.

De vromen (de zekeren, de sterken)

krijgen van Jezus heel wat kritiek te horen maar…

tot een door en door slechte tollenbaar zegt Jezus:

“Zacheus, kom vlug uit je boom, ik wil bij jou eten.

Wij mensen zijn geroepen

om net als onze Heer andere mensen

te bevestigen en te bemoedigen,

om, zoals dat zo mooi in een modern gebed staat:

‘VOOR ELKAAR ZO GOED ALS GOD TE ZIJN’

zo zal het toch nog wat kunnen worden op deze wereld

waar de vrede zo’n vreselijk ver visioen lijkt.

Jezus’ bergrede is een belangrijk handvest.

Het is het handvest van Gods nieuwe Koninkrijk

het is de blauwdruk van een menswaardige samenleving,

een nieuwe wereld die er komen kan

niet dankzij onze eigen geweldigheid

maar dankzij Gods kracht die ons zal inspireren en begeleiden

door de kracht van Zijn Heilige geest.

Die wil het aanschijn der aarde vernieuwen.

De zalig-sprekingen gaan over de revolutie van Godswege

van het Koninkrijk Gods dat doorbreekt, ondanks alles, in deze wereld.

Het is een geschiedenis geworden van hoop en vrees,

van voldoening en teleurstelling. Onvermijdelijk is ook de tegenwerking.

De doorbraak van het goede maakt altijd tegelijk het boze wakker.

Verheugt jullie en weest daar blij om,

want als je onder dat kwade lijdt, is jullie loon groot in de hemel.´

De eerste deelnemers aan dit hele project zijn de leerlingen.

Het zout is daarbij het wapen tegen bederf.

Het staat voor de kracht van de volharding

die alles mogelijk maakt.

Het licht verwijst naar God zelf, de Enige,

die ons licht is en ons heil.

Maar volgens Jesaja mag Jeruzalem, als stad van God, stad van het licht heten.

Daarom horen we in onze tekst spreken over

licht op de kandelaar en… een stad op de berg.

Ook wij van de Bavo worden opgeroepen tot heiligheid,

geen pilaarheiligheid maar actieve heiligheid.

Boven onze hoofden is in de koepel van onze Bavo

dat nieuwe Jeruzalem afgebeeld.

Niet om er met eerbied naar te staren

maar om dat beneden werkelijkheid te laten worden.

In de Jesaja-verzen van deze zondag spreekt de verkondiger het volk toe

dat juist uit Babel is teruggekeerd.

‘Jullie licht zal stralen als de dageraad

jullie kunnen het: je brood breken met de hongerige,

je genezing zal voorspoedig zijn: de glorie van de Heer zal je volgen.’

Onze goede wil, onze inzet

is niet bedoeld als lamp onder de korenmaat

maar een duidelijk getuigenis is nodig van Gods Koninkrijk van ons allen

opdat het ware licht kan stralen,

de goede werken worden gezien en de Vader verheerlijkt wordt die in de hemel is.

Wat een eervolle zaak,

wat een vreugdevolle opdracht

van de God die iets in ons allen ziet

en die ons, u en mij uitdaagt, licht te zijn en troost te zijn, vandaag nog.

voor allen die wij zullen ontmoeten.

Zoeken in Preken Online