Om te verstaan hoe Christus koning is, mogen we vandaag naar de Schrift luisteren. In de eerste lezing ageert de profeet Ezechiël tegen de herders van zijn tijd, de koningen en leiders, die - zoals Ezechiël zegt - alleen zichzelf weiden, en niet hun schapen, de kudde die aan hen is toevertrouwd en voor wie ze verantwoordelijk zijn.
Met het beeld van de herder en zijn kudde houdt Ezechiël ze de spiegel voor van hun maatschappij. Ik zie een tweedeling, zegt hij, tussen arme en rijke, tussen magere en vette schapen. Schapen die komen drinken aan de poel, en dan met hun sterke, vette lijven de andere, magere scharminkels opzij duwen, en als ze zelf genoeg gedronken hebben, met hun poten in het water gaan staan, zodat de arme alleen nog maar vies, brak water hebben. Vette, rijke schapen die het lekkerste, malse gras opvreten, en als ze volgevreten zijn, dat wat ze zelf echt niet meer opkrijgen, met hun poten plattrappen, zodat er voor de arme, hongerige schapen niets meer overblijft om van te eten.
Wat Ezechiël hier doet, is precies wat wij de profetische rol noemen. In naam van God en zijn gerechtigheid durft hij zijn mond open te doen tegen degenen die onrecht bedrijven, en vooral als dit de machthebbers zijn, en niemand anders er iets van durft te zeggen.
Kritiek hebben en schelden, dan kunnen de meesten van ons ook wel, maar kritiek rechtstreeks tegen iemand durven uitspreken, en wel tegen iemand die boven je staat, die je meerdere is, dat is een ander verhaal, en dan niet eens voor jezelf, omdat de maat vol is en je dit niet meer pikt, maar omwille van een ander, voor iemand die niet voor zichzelf op kan komen. Dat is precies wat de profeten doen in naam van God en Gods gerechtigheid: zij nemen het op voor de zwakken, de armen in het land, de weduwen en wezen, de vreemdelingen. Zij herinneren aan Gods bedoelingen zoals die zijn neergelegd in de Schrift en in Gods geboden, en als de koningen en leiders niet willen luisteren, dan dreigen de profeten met hel en verdoemenis.
Dit verhaal van de profeet Ezechiël waarvan we in de eerste lezing maar een klein stukje hoorden, doet me denken aan wat de profeet Natan eerder bij de grote koning David deed. Die had zijn legeraanvoerder en nota bene zijn goede vriend Uria de dood ingestuurd, omdat hij diens mooie vrouw Batseba voor zichzelf wilde. Toen kwam Natan, de profeet, hem een verhaaltje vertellen over een machtig man die heel veel schapen had, maar toen hij bezoek kreeg, het ene schaap van zijn buurman afpakte en liet slachten. David werd witheet over dit verhaal en zwoer dat die man zwaar gestraft moest worden, waarop Natan tegen koning David zei: “Die man, dat ben jij, want je hebt vele vrouwen en toch heb je je vriend de dood ingestuurd om zijn vrouw af te pakken.” Die houding van de rijken die niets voor een ander over hebben en alleen maar zichzelf nog meer willen verrijken, stelt Ezechiël ook in zijn tijd aan de kaak.
Die koning David is overigens dezelfde, die eerder zelf herder was, die in Psalm 23 zo prachtig God schetst als de enige herder, degene die hart heeft voor zijn kudde, die hen geeft wat ze nodig hebben, ze de weg wijst naar grazige weiden, die hen met zijn stok en zijn staf beschermt tegen alle gevaar, en ze leidt door alle duisternis heen. Zo weet het volk van Israël: Mijn herder is de HEER, het zal mij nooit aan iets ontbreken.
Alleen God is de ware koning, en geen ander. Dat is feitelijk ook de boodschap die paus Pius XI wilde geven toen hij in 1925 het feest van Christus Koning in het leven riep. Hij wilde stelling nemen tegenover het communisme, dat hij een gevaar voor de wereld vond. Velen deelden dit gevoel met hem, al waren er ook in Nederland ook vele anderen die geloofden in de idealen van het communisme, het delen met allen in gelijkheid, tot wie de feitelijke teleurstellingen van het communisme achter het IJzeren Gordijn pas veel later doordrongen: hoe ook daar mensen hun vrijheid kwijtraakten, hoe ook daar de enkele machthebbers zichzelf verrijkten over de ruggen van de arme bevolking.
Betekent dit dat het feest van vandaag na de val van de muur afgeschaft kan worden? Misschien wel, ik zou er in elk geval niet wakker van liggen, zeker als we in alle eerlijkheid bedenken dat onze kerk dit feest ook behoorlijk heeft uitgevent om zichzelf in een behoorlijk triomfalistische houding te etaleren.
Wat daarom niet verloren mag gaan, en ook niet zal gaan, is het beeld dat Jezus zelf aan ons en aan al zijn leerlingen van alle tijden voorhoudt: dat hij zichzelf altijd heeft herkend in de arme en uitgestoten mensen van onze wereld. En we hoeven maar naar zijn leven te kijken om te verstaan wat hij daarmee bedoelt. Op elke bladzijde van het evangelie ontmoeten we Jezus als hij zich laat raken door de pijn van zijn kwetsbare medemens, of het nu Samaritanen, tollenaars, melaatsen, zondaars of hoeren zijn.
Als wij zeggen zijn leerlingen te willen zijn, en bij elkaar komen als zijn kerk, als wij belijden dat Christus onze koning is, dan zullen we ons met hem ook moeten laten raken door onze medemensen in nood. Vertaald naar onze tijd betekent dit dat wij naar zijn voorbeeld oog hebben voor de armen van onze samenleving: de eenzamen, slachtoffers, wie voor gek versleten worden, wie niet mee kunnen komen, en ons laten raken door de ellende in onze wereldwijde samenleving. Via de televisie en het internet kunnen we gemakkelijk overspoeld raken, platgeslagen, al zien we ook dat vele mensen in ons land graag en gul willen geven om te helpen. Het betekent vooral ook, dat we de mensen dichtbij niet vergeten, want onze naaste is degene die wij, gevraagd en ongevraagd, op onze levensweg tegenkomen.
Mede door de tekst uit het evangelie van Matteüs dat we vandaag hoorden, hoort het bij de christelijke spiritualiteit van alle eeuwen, dat wij Christus zelf zien niet (alleen) in de priesters van onze kerk, die geacht worden Christus tegenwoordig te stellen en zelf een andere Christus te zijn, maar - naar het voorbeeld van Jezus zelf - vooral in de armen.
Zo groeit het koninkrijk van God in onze wereld, en het koningschap van Jezus - Christus koning - staat Bijbels gezien in het teken van dit koninkrijk van God.