Het charmeert ons wat Matteüs zegt vandaag. Het is ook echt iets van hem, want de drie andere hebben dat niet. Het gaat over mensen die geen kleren hebben, over mensen die worden gestraft, over mensen zonder huis en zonder thuis, over vluchtelingen, verdrevenen, over mensen die verworpen zijn. Met deze woorden is Matteüs niet compassieus noch sentimenteel. Dat is voor hem God en het Rijk der hemelen. Dat is voor hem alles, zijn hele filosofie, zijn hele doctrine, zijn hele wereld. De resumé van zijn hele boodschap. Daarin gaat het om de mens, om de echte nieuwe orde, om de gerechtigheid tout court. Dat is voor hem het nieuwe en oude morele pact, het nieuwe en oude sociale pact met de burger.
En toch is Matteüs niet zomaar een humanist. Het gaat hem om God. Hij heeft God gezien in Jezus, de mens van Betlehem. Niet zozeer in de man van Jeruzalem: dat is voor hem te plechtig, te religieus, te kerkelijk. Voor Matteüs is Jezus de mens die de mens begrepen heeft, de mens met zijn honger en zijn dorst, de mens met zijn naaktheid, de mens die niet in tel is, de mens die vreemd is en vervreemd, de mens die niet heeft wat een mens hebben wil en hebben moet om mens te zijn.
En, als je dat nu niet te ingewikkeld vindt, hier is hij net als Lucas: God is te vinden in het omarmen van de armen. Hij is niet een hoge majesteit, niet plechtig en niet ver, niet abstract en niet vaag. Hij is gewoon, vlakbij… in de mens die wij voorbijlopen. Want als we die voorbijlopen lopen we Hem voorbij.
En dat is een serieuze kronkel in de mentaliteit van Matteüs. Aan de ene kant plaatst hij God heel hoog: hij spreekt van het Rijk der hemelen, uit schroom, omdat hij God niet bij zijn voornaam durft te noemen. Maar aan de andere kant is die God nu plots de God van de straat: de God met de lompen van de arme mens, met de angst van de verlorene, met de vragen van de mens zonder thuis, met de schaamte van de bedelaar die ieder mens is. Die wij allemaal zijn.
Matteüs zegt dus iets over onszelf, want bedelaars zijn wij allemaal. Bedelaars om ergens thuis te zijn, in ons eigen huis, in onze eigen huid. Om God te vinden heel dichtbij. Niet een God die we menen te vinden als we met veel moeite geleerd gaan doen. Hij is een God voor mensen, die aan den lijve weten wat armoede is en naaktheid, en verlorenheid en verworpenheid.
Daarmee gooit Matteüs vele stokken in ons hoenderhok, in ons mensenhok. Hij zegt gewoon: maak van God niet een theorie. Hij is praktijk. Hij is de mens van nummer 14. Als je Hem daar niet vindt is het hopeloos voor elke Godzoeker. Het Rijk der hemelen is het rijk van mijn straat. Een ander visitekaartje heeft Hij niet. Op zijn identiteitskaart staat de naam van mijn buur.