Op het feest van Christus, Koning van het heelal wordt ons een mens voorgesteld die aan het einde van de tijden ieder van ons komt oordelen. Hij zal ons beoordelen op de manier waarop wij - al dan niet
- elkaar hebben geholpen om goed en prettig te kunnen leven.
In de tijd waarin dit evangelie van Matteüs werd geschreven, werd de wederkomst van Jezus heel spoedig verwacht, zelfs zo snel dat iedereen er rekening mee hield dat dit nog tijdens hun leven zou gebeuren. In die zin leefden de eerste christenen in een permanente Adventstijd: ze zagen uit naar de (weder)komst van hun Heer.
De twee lezingen van vandaag leggen ons uit op welke manier Jezus koning is en waarom dit feest voor ons nog steeds actueel is.
De profeet Ezechiël leefde eeuwen vóór Jezus en zegt dus niets over hem. Wel richt hij zich namens God tot de leiders van het volk Israël en verwijt ze dat ze het volk slecht geleid hebben. Hij noemt ze “slechte herders” die zichzelf tegoed hebben gedaan aan de schapen in plaats van voor ze te zorgen. Ze hebben hun wol gebruikt om zichzelf te kleden en hun vlees om goed te kunnen eten, en intussen hebben ze de schapen laten omkomen als ze zwak waren of verdwaalden. Tegenover deze slechte herders stelt Ezechiël dan
dat God zelf zijn kudde zal weiden als een goede herder om ze rust en veiligheid te bieden. Hiermee zit de profeet Ezechiël op het spoor van de traditie van het volk Israël. Waar bij de omringende volkeren de herder een heel gebruikelijk beeld was voor hun god of koning is er bij Israël maar één echte koning en één goede herder: JHWH, de God van Israël, die hart heeft voor zijn volk, zijn kudde, die met hen meetrekt en goed land voor hen vindt. Het beeld van de herder wordt in Israël nooit positief voor mensen gebruikt, maar wel veelvuldig negatief als de leiders van het volk het weer eens hebben laten afweten. De enige uitzondering is koning David, die wel koning en herder is naar Gods hart. Maar Ezechiël confronteert niet alleen de leiders van Israël met hun slechte herderschap. Ook het gewone volk, de schapen, verwijt hij hoe slecht zij vaak onderling met elkaar omgaan. Zo zorgen de sterksten dat zij zelf het beste stuk grond afgraven en het helderste water drinken, en als ze genoeg hebben gehad vertrappen ze doelbewust het gras en bevuilen het water om te voorkomen dat anderen uit de kudde er ook van kunnen profiteren. Precies bij dit beeld van Ezechiël van de rammen en bokken sluit Matteüs aan.
Matteüs rondt (na de verhalen over de verstandige en dwaze meisjes, de knechten met hun talenten die allemaal in afwachting zijn van de terugkomst van hun heer)hoofdstuk 25 over het laatste oordeel af met het beeld van de Mensenzoon die op de troon van zijn heerlijkheid gezeten, alle volkeren van de wereld voor zich verzamelt en ze van elkaar scheidt zoals een herder met de bokken en de schapen doet. Daarbij confronteert hij ze met de manier waarop ze met elkaar zijn omgegaan. Hebben ze elkaar het leven mogelijk gemaakt of juist onmogelijk? Deze vraag wordt heel concreet ingevuld, en de zwaksten in de samenleving vormen het criterium. Wat daarbij opvalt, is hoe concreet Jezus is, heel lijfelijk, uitgaande van primaire levensbehoeften: “Heb je gezorgd dat de mens naast je ook te eten had, en te drinken, kleren aan zijn of haar lijf, heb je haar zien staan, heb je hem bezocht en welkom geheten?” Er is niets zweverigs aan deze werken van barmhartigheid, zoals wij ze zijn gaan noemen. Jezus maakt duidelijk dat het antwoord op deze vraag voor hem samenvalt met de vraag: “Ben jij trouw (geweest) aan het Verbond van God met de mensen?” Wat opvalt is dat tot vier maal toe deze reeks goede werken aan bod komt, en dat zowel de schapen als de bokken zich niet eens bewust waren dát ze handelden zoals ze handelden. Kennelijk gaat het hier om een houding die wij in ons dagelijks leven hebben aangenomen die het voor ons vanzelfsprekend maakt dat we ons bewust zijn van de mensen om ons heen, hun noden zien en ons om hen bekommeren, ofwel dat onze houding zo op onszelf gericht is dat het &vanzelf& gaat dat we de ander niet eens zien. Jezus identificeert zichzelf met de mens in nood, de hulpbehoevende mens, degene die om wat voor reden dan ook er alleen niet meer uitkomt, de mensen die aan de rand van onze samenleving terecht zijn gekomen en die we - vaak letterlijk! - niet zien als wij verder gaan met ons eigen leven. Jezus nodigt ons uit van perspectief te wisselen: “In hen ontmoet je mij.” en “Als je mij een plek wilt geven in jouw leven, zoek dan de armen op. Voor God tellen alle mensen; God schrijft nooit iemand af, en laat voor iedereen de zon opgaan.”
Wat zeggen deze lezingen nu over Jezus als koning?
Ook al wordt vandaag Jezus nergens “goede herder” genoemd, toch dringt dit beeld zich aan ons op. Hij is koning door voor de mensen te zijn als een “goede herder”, zoals alleen God zelf is. Als een goede herder scheidt de Mensenzoon de bokken van de schapen, en hij spreekt recht, niet om sommige schapen uit te stoten, maar opdat alle schapen weer leven vinden, in overvloed. Vanzelfsprekend zoekt hij ze op in hun nood of als ze verdwaald of verloren zijn. In het evangelie volgens Johannes noemt Jezus zichzelf de goede herder, en in de christelijke kunst is hij vanaf het vroegste begin ook zo afgebeeld, icoon van God, de ene ware goede herder en koning van Israël, zoon van David, de enige menselijke &goede herder&. Vandaag op de laatste zondag van het kerkelijk jaar komen wij hem tegen als koning die herder is, in het krachtenveld van goed en kwaad, in het licht van het uiteindelijke oordeel.
Bijbelse beelden van het laatste oordeel zijn nooit fatalistisch bedoeld. De wereld is niet verdeeld in schapen en bokken, en “Wat je nu eenmaal bent, dat blijf je.” Nee, het is nooit te laat om je te bekeren, want die bokken en schapen zitten allebei in ieder van ons, en een dubbeltje kan wel degelijk een kwartje worden. Het is ook zeker niet de bedoeling dat wij zelf oordelen, niet over onszelf, laat staan over een ander! Wel proeven we in het evangelie een soort algemene stelregel: wie denkt er in het leven al te zijn, heeft nog een hele weg van bekering af te leggen; wie denkt er nooit te komen, kon wel eens verder zijn dan zij of hij zelf denkt. Die zou ik gunnen wat barmhartiger te zijn voor zichzelf, zoals we mogen vertrouwen dat God is. Christus zit wel aan Gods rechterhand, maar als de goede herder, die naar ons omziet.
Volgende week begint de Advent en zien we uit naar de komst van de eerste en kleinste der mensen. Eigenlijk is het feest van vandaag, Christus Koning, en elke dag van ons leven, ook al Advent. We vieren de grote koning, die zich als een echte leider en herder bekommert om onze samenleving en we bereiden ons in ons leven en in onze houding voor op zijn wederkomst. Die weg is nooit af. We sluiten de cirkel en beginnen meteen weer opnieuw, zoals de Joden doen als ze in de synagoge met het voorlezen van de Tora helemaal aan het eind zijn. Ze beginnen meteen weer opnieuw van voren af aan.